Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning en de daarbij behorende aanslag onroerendezaakbelasting. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde in de uitspraak op bezwaar, waarbij nieuwe referentieobjecten werden gebruikt. Belanghebbende betwistte aanvankelijk de WOZ-waarde, maar trok dit in tijdens de zitting en richtte zich uitsluitend op de schending van het motiveringsbeginsel en een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank overweegt dat de motivering van de uitspraak op bezwaar voldoende is, ook al zijn niet alle details van de referentieobjecten en hun prijzen vermeld. De heffingsambtenaar mag de waarde in elke fase van de procedure onderbouwen met nieuwe gegevens. De rechtbank verklaart het beroep daarom ongegrond.
Belanghebbende vordert daarnaast immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar voor bezwaar en beroep. De rechtbank oordeelt dat de termijn met drie maanden is overschreden, waardoor belanghebbende recht heeft op een vergoeding van €500,-. Deze wordt verdeeld over de heffingsambtenaar en de Staat der Nederlanden. Tevens worden proceskosten en griffierecht deels toegewezen aan belanghebbende.
De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar en de Staat der Nederlanden gezamenlijk tot vergoeding van immateriële schade, proceskosten en griffierecht. Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende ontvangt een beperkte schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn.