Belanghebbende, woonachtig in België en werkend in Nederland, had in haar aangifte inkomstenbelasting 2017 specifieke zorgkosten en scholingsuitgaven als persoonsgebonden aftrek opgevoerd en verzocht om kwalificatie als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. De inspecteur wees dit verzoek af en weigerde de aftrek van genoemde kosten, waarna belanghebbende bezwaar maakte. De rechtbank stelde vast dat partijen niet meer in geschil waren dat belanghebbende kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet in haar bewijslast was geslaagd voor de scholingsuitgaven, omdat zij slechts een factuur overlegde die niet voldeed aan de voorwaarden voor aftrek. De overige scholingsuitgaven, zoals advocaat- en telefoonkosten, waren wettelijk niet aftrekbaar. Voor de specifieke zorgkosten bereikten partijen een compromis over een aftrekbaar bedrag van €1.071, opgebouwd uit apotheek-, reis- en geneeskundige hulp kosten.
Na toepassing van de wettelijke verhoging en drempel werd de aftrekpost vastgesteld op €851, wat leidde tot een vermindering van de aanslag naar een belastbaar inkomen van €27.108. De rechtbank veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het beroep werd gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar vernietigd.