Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende is houder van een motorrijtuig waarvan de kentekengeldigheid in meerdere perioden is geschorst. Tijdens een van deze schorsingsperioden is vastgesteld dat het voertuig op de openbare weg is gebruikt. De inspecteur heeft daarop een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd over de periode waarin het voertuig onrechtmatig werd gebruikt, alsmede een verzuimboete.
Belanghebbende betwist de hoogte van de naheffingsaanslag omdat hij stelt dat hij reeds belasting heeft betaald over een deel van de periode. De rechtbank oordeelt dat de schorsing eindigde op 9 juli 2019 en dat de betaling van belanghebbende betrekking heeft op een latere periode, waardoor de naheffingsaanslag correct is vastgesteld.
Ten aanzien van de opgelegde boete stelt de rechtbank dat het beboetbare feit is begaan door het gebruik van het voertuig tijdens schorsing. Opzet of schuld is niet vereist, en de veronderstelling van belanghebbende dat de kentekenschorsing nog geldig was, leidt niet tot afwezigheid van alle schuld. De boete is passend en wordt gehandhaafd.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag en verzuimboete wordt ongegrond verklaard en de aanslag en boete worden gehandhaafd.