Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft geen aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2016 ingediend, ondanks herhaalde uitnodigingen en aanmaningen van de inspecteur. De inspecteur legde op basis van een schatting aanslagen IB/PVV en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) op, inclusief een verzuimboete wegens stelselmatig niet tijdig doen van aangifte.
Belanghebbende voerde bezwaar aan tegen de aanslagen en de boete, stellende onder meer dat de hoorplicht was geschonden en de aanslagen te hoog waren vastgesteld. De rechtbank oordeelt dat de hoorplicht niet is geschonden omdat belanghebbende meerdere keren is gewezen op zijn hoorrecht en geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot horen. De aanslagen zijn gebaseerd op omzetbelastingaangiften en worden als juist beschouwd.
De verzuimboete is terecht opgelegd wegens stelselmatig verzuim, waarbij belanghebbende niet voldeed aan de voorwaarde voor matiging door alsnog binnen twee weken aangifte te doen. Wel acht de rechtbank een overschrijding van de redelijke termijn van ruim negen maanden, wat leidt tot een ambtshalve matiging van de boete met 10%. De beroepen worden verder ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen worden ongegrond verklaard, de verzuimboete verminderd tot € 4.750 wegens overschrijding redelijke termijn.