ECLI:NL:RBZWB:2021:3239

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 juni 2021
Publicatiedatum
28 juni 2021
Zaaknummer
BRE 20/6853
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67a AWRArt. 9:6 Wet IB 2001Art. 6:10 AwbBesluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van verzuimboete wegens te late aangifte inkomstenbelasting 2018

Belanghebbende, woonachtig in Griekenland, heeft voor het jaar 2018 de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen niet tijdig ingediend. De inspecteur heeft daarop een aanslag opgelegd op basis van een schatting en een verzuimboete van €369 opgelegd.

Belanghebbende heeft later alsnog aangifte gedaan en bezwaar gemaakt tegen de aanslag en boete. De inspecteur heeft het belastbaar inkomen verminderd naar nihil en de belastingrente aangepast, maar de verzuimboete gehandhaafd. Het geschil betreft de rechtmatigheid en hoogte van deze boete.

De rechtbank oordeelt dat het bezwaar ontvankelijk is en dat de boete terecht is opgelegd omdat belanghebbende niet binnen de gestelde termijn aangifte heeft gedaan, ondanks uitnodigingen en aanmaningen. De stelling van belanghebbende dat een DigiD-storing en het uitblijven van een papieren aangifte de oorzaak waren, is onvoldoende onderbouwd.

Er zijn geen omstandigheden die matiging van de boete rechtvaardigen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de verzuimboete van €369 wegens te late aangifte.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 20/6853
uitspraak van 25 juni 2021
Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [adres] (Griekenland),
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de inspecteur van 25 maart 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2018 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.388, aanslagnummer [aanslagnummer]H.86.01, en de bij gelijktijdige beschikkingen opgelegde verzuimboete van € 369 en in rekening gebrachte belastingrente van € 150.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2021 te Breda.
Aldaar is gehoord, via een Skype-verbinding, namens de inspecteur, [inspecteur].
Belanghebbende is, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

2.1.
Belanghebbende heeft het gehele jaar 2018 in Griekenland gewoond.
2.2.
De inspecteur heeft belanghebbende per brief uitgenodigd, herinnerd en aangemaand om aangifte IB/PVV 2018 te doen. Belanghebbende heeft geen aangifte binnen de door de inspecteur gestelde termijn ingediend.
2.3.
Met dagtekening 11 maart 2020 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2018 opgelegd. De inspecteur heeft daarbij een schatting gemaakt van het belastbare inkomen uit werk en woning.
2.4.
Belanghebbende heeft op 4 maart 2020 de aangifte IB/PVV 2018 digitaal ingediend en gelijktijdig per brief een bezwaarschrift ingediend. De inspecteur heeft het bezwaarschrift ontvangen op 11 maart 2020 en aangemerkt als verzoek om ambtshalve vermindering in de zin van artikel 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001).
2.5.
Bij uitspraak op het verzoek om ambtshalve vermindering heeft de inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning verminderd naar nihil en de in rekening gebrachte belastingrente dienovereenkomstig verminderd. De verzuimboete heeft hij in stand gelaten.
2.6.
Tussen partijen is enkel nog in geschil het antwoord op de vraag of de verzuimboete terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd.
2.7.
De rechtbank overweegt vooraf en ambtshalve dat de brief van belanghebbende met dagtekening 4 maart 2020 door de inspecteur had moeten worden aangemerkt als een bezwaarschrift. Dit bezwaar is naar het oordeel van de rechtbank ontvankelijk. [1] De beslissing op het verzoek met dagtekening 25 maart 2020 zal door de rechtbank worden aangemerkt als uitspraak op bezwaar, waartegen belanghebbende tijdig (te weten op 7 april 2020) is opgekomen. De rechtbank zal hierna ingaan op de inhoudelijke kant van de zaak.
2.8.
De inspecteur heeft op grond van artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) een verzuimboete opgelegd. Het eerste lid van dit artikel bepaalt kortgezegd dat de inspecteur een boete kan opleggen als de belastingplichtige de aangifte voor de inkomstenbelasting niet binnen de gestelde termijn heeft gedaan. Het te laat doen van aangifte is dus een beboetbaar verzuim. Op grond van de eigen beleidsregels heeft de inspecteur een verzuimboete opgelegd van € 369. [2]
2.9.
De boete is in overeenstemming met de daarvoor geldende wettelijke bepalingen opgelegd. Tussen partijen is namelijk niet in geschil dat de inspecteur belanghebbende heeft uitgenodigd, herinnerd en aangemaand om aangifte IB/PVV 2018 te doen. Tevens staat vast dat belanghebbende niet binnen de gestelde termijn aangifte heeft gedaan.
2.10.
De mate van verwijtbaarheid speelt bij een verzuimboete geen rol, tenzij er sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas). Van avas is sprake wanneer de belastingplichtige geen enkel verwijt treft ten aanzien van het niet tijdig indienen van de aangifte. Daarvoor is vereist dat de belastingplichtige alle in de gegeven omstandigheden in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om te bewerkstelligen dat de aangifte tijdig wordt gedaan. Op belanghebbende rust de last om aannemelijk te maken dat sprake is van avas.
2.11.
Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende niet in zijn bewijslast geslaagd. De stelling van belanghebbende dat de te late indiening van de aangifte werd veroorzaakt door een DigiD storing en het uitblijven van een reactie op het verzoek om uitreiking van een papieren aangifte is door de inspecteur gemotiveerd weersproken. De inspecteur heeft de verzuimboete dus terecht opgelegd.
2.12.
De vervolgvraag die voorligt, is of de aan belanghebbende opgelegde boete passend en geboden is. Daarbij moeten de omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn omstandigheden gesteld noch gebleken die aanleiding geven voor een matiging van de opgelegde boete. De rechtbank acht de verzuimboete van € 369 dan ook passend en geboden.
2.13.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C. van den Berg, griffier, op 25 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 6:10, eerste lid, onderdeel a, van de Awb.
2.Zie paragraaf 21, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.