Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, woonachtig in Griekenland, heeft voor het jaar 2018 de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen niet tijdig ingediend. De inspecteur heeft daarop een aanslag opgelegd op basis van een schatting en een verzuimboete van €369 opgelegd.
Belanghebbende heeft later alsnog aangifte gedaan en bezwaar gemaakt tegen de aanslag en boete. De inspecteur heeft het belastbaar inkomen verminderd naar nihil en de belastingrente aangepast, maar de verzuimboete gehandhaafd. Het geschil betreft de rechtmatigheid en hoogte van deze boete.
De rechtbank oordeelt dat het bezwaar ontvankelijk is en dat de boete terecht is opgelegd omdat belanghebbende niet binnen de gestelde termijn aangifte heeft gedaan, ondanks uitnodigingen en aanmaningen. De stelling van belanghebbende dat een DigiD-storing en het uitblijven van een papieren aangifte de oorzaak waren, is onvoldoende onderbouwd.
Er zijn geen omstandigheden die matiging van de boete rechtvaardigen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de verzuimboete van €369 wegens te late aangifte.