De zaak betreft een verzoek van de gezinsvoogdij-instelling (GI) tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die sinds april 2021 onder toezicht staat. De minderjarige verblijft momenteel in een gezinssetting na escalaties en onveilige situaties thuis, waarbij de relatie met de moeder ernstig verstoord is.
De kinderrechter heeft tijdens een mondelinge behandeling met gesloten deuren de belangen van de minderjarige, de moeder en de GI afgewogen. De moeder wenst terugkeer van de minderjarige, maar erkent de problemen en is bereid tot hulpverlening. De GI benadrukt de noodzaak van voortzetting van de uithuisplaatsing voor rust en stabilisatie.
De kinderrechter concludeert dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de minderjarige, mede gelet op de onveilige thuissituatie en het falen van de recent ingezette hulpverlening (MDFT). De machtiging wordt verleend voor de periode tot 22 juli 2021 met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Er wordt benadrukt dat de uithuisplaatsing tijdelijk is en dat spoedig duidelijkheid moet komen over de toekomst en eventuele terugkeer naar huis.