ECLI:NL:RBZWB:2021:3487
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarden en heffingen onroerende zaken in Tilburg
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarden van twee woningen in Tilburg, vastgesteld op respectievelijk € 377.000 en € 324.000 voor het kalenderjaar 2019, met bijbehorende aanslagen onroerende zaakbelasting en watersysteemheffing. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarden na bezwaar, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank beoordeelde de onderbouwing van de WOZ-waarden aan de hand van taxatierapporten en vergelijkingsmatrices met referentiewoningen die qua type, bouwjaar en locatie voldoende vergelijkbaar zijn. De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarden niet te hoog zijn vastgesteld, mede gelet op de verkoop van een van de woningen voor een hogere prijs kort na de waardepeildatum.
Belanghebbende voerde tevens aan dat de heffingen in strijd zijn met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM vanwege dubbele belasting zonder tegenprestatie. De rechtbank verwierp dit standpunt en oordeelde dat de heffingen een gerechtvaardigde inbreuk vormen op het eigendomsrecht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarden en heffingen wordt ongegrond verklaard.