Verzoeker heeft sinds 2019 meerdere aanvragen ingediend voor een uitkering op grond van de Participatiewet, waarvan de meeste zijn afgewezen vanwege het niet overleggen van benodigde stukken en het niet meewerken aan een huisbezoek. Eerdere verzoeken om voorlopige voorzieningen werden afgewezen. Verzoeker stelt recht te hebben op bijstand vanaf 17 mei 2019 en vanaf 1 juli 2020, en vordert ook schadevergoeding.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker niet heeft voldaan aan zijn medewerkingsplicht, onder meer door het niet overleggen van bewijsstukken zoals opheffing van bankrekeningen, huurbetalingen en bewijs van levensonderhoud. Het college ontkent ontvangst van een aanvraag van 1 juli 2020 en verzoeker heeft dit niet aannemelijk gemaakt. Verzoeker verschijnt niet op gesprekken bij het college, wat noodzakelijk wordt geacht voor vaststelling van recht op bijstand.
Het bezwaar tegen het besluit van 1 juli 2020 is nog niet behandeld, maar de voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een voorlopige voorziening omdat verzoeker niet in gebreke is gesteld en het college het bezwaar spoedig zal behandelen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen zonder proceskostenveroordeling.