ECLI:NL:RBZWB:2021:3537

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 juli 2021
Publicatiedatum
13 juli 2021
Zaaknummer
C/02/386899 JE RK 21-1300
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Pellikaan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:247 lid 2 BWArt. 1:255 lid 1 BWArt. 1:265b lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarigen wegens onveilige opvoedomgeving

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 12 juli 2021 besloten om twee minderjarigen onder toezicht te stellen van een gecertificeerde instelling (GI) en machtiging te verlenen voor hun uithuisplaatsing in een netwerkpleeggezin. Dit is gedaan vanwege ernstige zorgen over de opvoedsituatie, veroorzaakt door de psychiatrische problematiek van de moeder, die onvoldoende stabiel is om de kinderen een veilige omgeving te bieden.

De minderjarigen verblijven momenteel bij hun oma, die hen een veilige en ondersteunende omgeving biedt. De moeder is bereid hulp te accepteren en streeft ernaar dat de kinderen binnen een half jaar stapsgewijs weer thuis kunnen wonen. De vader ondersteunt de ondertoezichtstelling en benadrukt het belang van een spoedige terugkeer naar huis.

De rechtbank erkent de capaciteitsproblemen bij de GI, maar benoemt deze toch vanwege de ernst van de situatie en de specifieke doelgroep. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing worden voorlopig voor drie maanden ingesteld, met een vervolgbehandeling gepland om de voortgang te monitoren. De rechtbank benadrukt het belang van een vaste jeugdzorgwerker die de regie voert over de hulpverlening.

Uitkomst: De minderjarigen worden onder toezicht gesteld en uithuisgeplaatst in een netwerkpleeggezin voor drie maanden met een vervolgbehandeling gepland.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie [Breda]
Zaaknummer: C/02/386899 / JE RK 21-1300
Datum uitspraak: 12 juli 2021

Beschikking ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,

hierna te noemen de Raad,
gevestigd te [Breda] ,
betreffende

[minderjarige 1] ,

hierna te noemen [minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

[minderjarige3 1] ,

hierna te noemen [minderjarige3 2] .
geboren op [geboortedatum2] te [geboorteplaats] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[minderjarige 2] ,

[minderjarige3 2] ,

[moeder] ,

hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[vader] ,

hierna te noemen de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
De kinderrechter merkt als informanten aan:

[oma] ,

hierna te noemen oma mz (moederszijde),
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,

hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (GI),
gevestigd te Roosendaal.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoek met bijlagen van de Raad van 17 juni 2021, ingekomen bij de griffie op
18 juni 2021;
- de brieven met bijlage van de Raad van 22 juni 2021, 24 juni 2021 en 6 juli 2021.
- de brief van de GI van 28 juni 2021, ingekomen bij de griffie op 29 juni 2021.
Op 5 juli 2021 heeft de kinderrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld.
Verschenen zijn:
- de moeder,
- de vader, bijgestaan door een tolk Berbers-Tarafit;
- de oma mz;
- een vertegenwoordiger van de Raad.
Voorts was de broer van de moeder als toehoorder aanwezig.
Hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zijn de minderjarigen en de GI niet verschenen.

De feiten

Het ouderlijk gezag over de minderjarigen wordt uitgeoefend door de ouders.
De minderjarigen verblijven bij de oma mz.

Het verzoek

De Raad verzoekt een ondertoezichtstelling van de minderjarigen voor de duur van twaalf maanden. Tevens verzoekt de Raad de GI te machtigen tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in een netwerkpleeggezin voor de duur van de ondertoezichtstelling. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Het standpunt van de verzoeker

Namens de Raad is, in aanvulling op het schriftelijke verzoek, aangevoerd dat de Raad zich zorgen maakt over de minderjarigen. De moeder kampt met psychiatrische problematiek waardoor ze onvoldoende inzicht heeft in wat de minderjarigen nodig hebben en er sprake is van een onveilige opvoedomgeving. Thans verblijven de minderjarigen bij de oma mz, die de minderjarigen een goede en veilige opvoedomgeving kan bieden. Het is de wens van alle betrokkenen dat de minderjarigen weer bij de moeder gaan wonen wanneer dit mogelijk is. Samen met de moeder, de hulpverlening en het netwerk zal moeten worden gekeken onder welke voorwaarden de minderjarigen weer bij de moeder kunnen wonen en wat daar voor nodig is. Op dit moment is er een opnamestop bij de GI, maar de verzochte GI is wel de meest passende GI om de ondertoezichtstelling uit te voeren. Het is van groot belang dat er een vaste jeugdzorgwerker wordt aangesteld die regie gaat voeren en zo snel als mogelijk de zaak oppakt.

Het standpunt van de belanghebbenden en de informant

De moeder heeft aangegeven dat ze wil dat [minderjarige 2] en [minderjarige3 2] weer bij haar komen wonen. Ze begrijpt dat ze daarbij hulp nodig heeft en is bereid om alle hulp te accepteren. Met hulpverleners van Kanz, Bemoeizorg en het FACT-team heeft de moeder besproken dat [minderjarige 2] en [minderjarige3 2] binnen een half jaar stapsgewijs thuis kunnen worden geplaatst en dat de jeugdzorgwerker daarbij zal helpen. Het is een moeilijke tijd geweest voor de moeder en de minderjarigen, maar het gaat nu een stuk beter. De moeder gebruikt medicatie en dit zal op termijn worden afgebouwd. Het contact tussen de moeder en de minderjarigen is goed en ze missen elkaar. De moeder vond het lastig dat er de afgelopen tijd veel verschillende personen en instanties betrokken waren. Dit zorgde voor veel onduidelijkheid en een gebrek aan overzicht.
De vader heeft aangevoerd dat hij de ondertoezichtstelling een goede idee vindt. [minderjarige 2] en [minderjarige3 2] verblijven nu bij oma mz, waardoor ze geen stress ervaren en de moeder rust krijgt. [minderjarige 2] en [minderjarige3 2] moeten wel zo snel als mogelijk weer terug naar huis. De vader is het op bepaalde onderdelen niet eens met het rapport van de Raad. Zo weerspreekt hij dat hij een passieve houding heeft.
De oma mz heeft naar voren gebracht dat het goed gaat met [minderjarige 2] en [minderjarige3 2] , maar dat ze de moeder missen. Als het beter gaat met de moeder willen ze weer terug naar huis, hetgeen de oma mz ondersteunt.

De beoordeling

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
Ingevolge artikel 1:265b lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de Raad een machtiging verlenen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Uit de overlegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, blijkt
dat er al langere tijd zorgen zijn over de sociaal-emotionele en cognitieve ontwikkeling van de minderjarigen. De moeder kampt al enige tijd met psychiatrische problematiek waardoor de minderjarigen ernstig belemmerd worden in hun ontwikkeling. De zorgen hebben met name betrekking op het volgen van onderwijs, de sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarigen, alsmede de algemene veiligheid van de minderjarigen. De minderjarigen zijn erg betrokken bij het welzijn van de moeder en maken zich zorgen om haar. Zij lijken een zorgende positie in te zijn gaan nemen tegenover hun moeder, hetgeen niet passend is voor hun leeftijd en ontwikkeling. De minderjarigen verblijven al een aantal maanden bij de oma mz, omdat de moeder niet in staat is de minderjarigen een stabiele en veilige opvoedomgeving te bieden. De moeder heeft zich recentelijk onder behandeling gesteld van de GGZ, maar de situatie is vooralsnog onvoldoende stabiel. Het is belangrijk dat een onafhankelijk persoon de hulpverlening gaat regisseren, zodat de moeder één duidelijk aanspreekpunt heeft. Gelet op de problematiek van de moeder is het op dit moment voorts in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen dat het verblijf van de minderjarigen bij de oma mz gecontinueerd en gewaarborgd wordt. Op grond van het voorgaande is de kinderrechter dan ook van oordeel dat de verzoeken van de Raad toewijsbaar zijn.
Uit het bepaalde in artikel 1:255 BW Pro blijkt dat een ondertoezichtstelling alleen kan worden uitgesproken als voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling een gecertificeerde instelling wordt benoemd.
Bij brief van 28 juni 2021 heeft de door de Raad beoogde GI aangegeven dat zij de ondertoezichtstelling niet gaat uitvoeren indien deze aan haar toegewezen wordt wegens een instroomstop per 21 juni 2021. Het is de kinderrechter bekend dat de GI met ernstige capaciteitsproblemen kampt en in verband daarmee een (tijdelijke) cliëntenstop heeft afgekondigd, hetgeen betekent dat de GI nieuwe ondertoezichtstellingen niet zal oppakken. De kinderrechter overweegt in dat verband dat er op dit moment sprake is van een zeer zorgelijke situatie en stelt vast dat deze situatie in flagrante strijd is met de belangen van minderjarigen in de regio Noord-Brabant die gedwongen hulp nodig hebben. Zij dringt er daarom op aan dat de overheid deze urgente situatie op de kortst denkbare termijn tot een einde brengt. De kinderrechter kan, gelet op de omstandigheden in deze zaak, echter niet anders dan toch deze GI te benoemen. De ernst van de situatie vraagt hierom en deze minderjarigen vallen binnen de doelgroep van deze GI, hetgeen de Raad tijdens de mondelinge behandeling heeft bevestigd. De kinderrechter zal daarom [minderjarige 2] en [minderjarige3 2] onder toezicht stellen van de GI. Het ligt op de weg van de GI binnen de wettelijke termijn contact te leggen met de ouders en zich van de situatie op de hoogte te stellen. De kinderrechter gaat er dan ook van uit dat de GI al het mogelijke zal doen om op zo kort mogelijke termijn de zaak op te pakken en benadrukt dat het daarbij van groot belang is dat zo spoedig mogelijk een vaste jeugdzorgwerker wordt aangewezen.
Gezien het hiervoor overwogene, ziet de kinderrechter aanleiding om de maatregelen in duur te beperken, te weten vooralsnog voor een periode van drie maanden.
De behandeling van het resterende deel van het verzoek zal worden aangehouden tot de hierna te noemen mondelinge behandeling, zodat de kinderrechter de voortgang van deze zaak kan monitoren. De kinderrechter verzoekt aan de GI om uiterlijk twee weken voorafgaand aan de hierna te noemen mondelinge behandeling schriftelijk verslag uit te brengen van de voortgang van de ondertoezichtstelling. Dat kan in de vorm van een (kort) briefverslag. De kinderrechter verzoekt de Raad vervolgens om uiterlijk een week voorafgaand aan die mondelinge behandeling daarop te reageren en zijn standpunt kenbaar te maken over het resterende deel van het verzoek. De ontwikkelingen in deze zaak zullen dan verder worden besproken tijdens de hierna te noemen mondelinge behandeling.
De doelen waaraan binnen de ondertoezichtstelling moet worden gewerkt, zijn:
- de minderjarigen verblijven in een opvoedingssituatie waar zij emotionele en fysieke veiligheid ervaren en waarin zij emotionele ondersteuning krijgen bij de zorgen die zij hebben;
- de minderjarigen volgen onderwijs passend bij hun mogelijkheden, zonder hen te overvragen;
- de minderjarigen kunnen hun emoties en gevoelens uiten en verwerken;
- de minderjarigen hebben een onbelast en prettig contact met hun moeder;
- de moeder heeft vat op haar persoonlijke problematiek en ontvangt hiervoor passende hulpverlening;
- er is zicht op de praktische situatie van de moeder en zij krijgt zo nodig passende hulp hiervoor;
- er is sprake van pleegzorgbegeleiding voor de oma mz;
- de vader is actief betrokken bij de hulpverlening, de schoolgang en algehele ontwikkeling van de kinderen.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

De beslissing

De kinderrechter:
stelt [minderjarige 2] en [minderjarige3 2] onder toezicht van de GI met ingang van 12 juli 2021 tot
12 oktober 2021;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige3 2] in een netwerkpleeggezin met ingang van 12 juli 2021 tot 12 oktober 2021;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt het verzoek voor het overige aan en bepaalt dat het resterende deel van het verzoek zal worden behandeld tijdens de mondelinge behandeling door mr. Van Gessel, kinderrechter op
1 oktober 2021 om 09:45 uur,welke behandeling zal plaatsvinden in het gebouw van deze rechtbank te [Breda3] aan de Stationslaan 10, en bepaalt dat deze beschikking geldt als oproeping voor alle betrokkenen;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven door mr. Pellikaan, kinderrechter, in tegenwoordigheid van Van Noort, als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2021.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.