ECLI:NL:RBZWB:2021:3577
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen inhouding op uitkering
Verzoekster maakte bezwaar tegen het besluit van 19 april 2021 van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland, waarin 5% van de geldende norm op haar uitkering werd ingehouden. Zij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen om deze inhouding te staken.
De voorzieningenrechter beoordeelde het spoedeisend belang van het verzoek. Verzoekster stelde dat het onredelijk was om haar spaargeld aan te spreken, omdat dit voor andere doeleinden bestemd zou zijn. Uit de stukken bleek dat maandelijks €53,77 werd ingehouden en dat verzoekster nog €370 op haar spaarrekening had, waarmee zij ruim zes maanden de inhouding kon overbruggen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster onvoldoende had onderbouwd waarom haar spaargeld niet kon worden aangesproken en dat de stelling dat het besluit evident onrechtmatig zou zijn, niet relevant was voor de beoordeling van het spoedeisend belang. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
De uitspraak werd gedaan op 15 juli 2021 en is niet vatbaar voor beroep of hoger beroep.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de inhouding van 5% op de uitkering is afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.