ECLI:NL:RBZWB:2021:361

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 januari 2021
Publicatiedatum
28 januari 2021
Zaaknummer
AWB- 21_154 VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen weigering omgevingsvergunning verbouwing pand

Verzoekster, een bedrijfsmatige verhuurder, heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg om een omgevingsvergunning voor het verbouwen van een pand te weigeren.

De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van artikel 8:81 Awb Pro een voorlopige voorziening kan worden getroffen indien onverwijlde spoed dat vereist. Verzoekster heeft een economisch belang aangevoerd, namelijk het mislopen van huurinkomsten van € 2.500 per maand zolang onzekerheid bestaat over de verhuurbaarheid van de appartementen.

Dit financiële belang is volgens vaste rechtspraak echter onvoldoende om spoedeisendheid aan te nemen, tenzij sprake is van een financiële noodsituatie. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij door het besluit in een dergelijke noodsituatie verkeert, mede omdat zij bedrijfsmatig verhuurt en niet afhankelijk is van de huurinkomsten van het betreffende pand.

Daarnaast is niet gebleken dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Zonder diepgaand onderzoek bestaat geen reden om het standpunt van het college ernstig te betwijfelen. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van de omgevingsvergunning wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en geen evident onrechtmatig besluit.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/154 WABOA VV

uitspraak van 28 januari 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam B.V.] , te [plaatsnaam] , verzoekster,

gemachtigde: mr. T.P.M. Kouwenaar,
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 10 december 2020 van het college (bestreden besluit) over het weigeren van een omgevingsvergunning voor het verbouwen van een pand aan [adres] in [plaatsnaam] . Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Verzoekster heeft de spoedeisendheid van haar verzoek onderbouwd met de stelling dat zij een economisch belang heeft bij een voorlopige voorziening. Verzoekster is bedrijfsmatig verhuurder van het pand en derft, naar zij heeft gesteld, huurinkomsten ter hoogte van € 2.500,- per maand, zolang zij geen zekerheid heeft omtrent de verhuurbaarheid van de appartementen in het pand.
3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster met die onderbouwing niet aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij het verzoek om een voorlopige voorziening. Volgens vaste rechtspraak is een financieel belang op zichzelf geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Eventuele schade kan immers worden verhaald indien achteraf blijkt dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Dit ligt anders wanneer aannemelijk is gemaakt dat een financiële noodsituatie dreigt. Verzoekster heeft gesteld dat zij huurinkomsten mis zal lopen, maar heeft niet gesteld dat zij in een financiële noodsituatie dreigt te geraken als gevolg van het bestreden besluit. De voorzieningenrechter acht dit daarmee ook niet aannemelijk gemaakt, omdat verzoekster bedrijfsmatig woningen verhuurt en daarom niet afhankelijk is van huurinkomsten van de pand aan [adres] te [plaatsnaam] .
4. Bij het ontbreken van voldoende spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening, zoals hier het geval is, bestaat slechts aanleiding voor het niettemin treffen van een voorlopige voorziening indien – ook zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht – zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en het bestreden besluit in de hoofdzaak in stand zal blijven. Er moet, met andere woorden, sprake zijn van een evident onrechtmatig besluit. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoekster heeft aangevoerd geen grond voor dat oordeel.
5. Dit betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster tot het treffen van een voorlopige voorziening zal afwijzen. Gegeven dit oordeel is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 28 januari 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.