Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten en griffierecht
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een vennootschap met een directeur-grootaandeelhouder (dga), heeft een pensioentoezegging in eigen beheer afgekocht. De inspecteur legde een naheffingsaanslag loonheffingen van €262.790 en een boete van €5.278 op wegens niet-afdracht van loonheffingen.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag en boete, maar de inspecteur handhaafde deze zonder belanghebbende te horen, omdat belanghebbende had aangegeven dat een hoorzitting geen zin had. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende niet uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van het recht om gehoord te worden, waardoor de hoorplicht is geschonden en de uitspraak op bezwaar moet worden vernietigd.
De rechtbank stelt vast dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en geen gronden bestaan voor vermindering. Wel is de boete verminderd tot €2.500 na overeenstemming tussen partijen. Omdat belanghebbende vooral bezwaar maakte tegen de invordering, die buiten de bestuursrechtelijke procedure valt, ziet de rechtbank geen reden tot terugwijzing en voorziet zelf in de zaak.
Tot slot wordt de inspecteur gelast het betaalde griffierecht van €338 aan belanghebbende te vergoeden. De uitspraak is openbaar gemaakt op 16 juli 2021 door de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
Uitkomst: De naheffingsaanslag loonheffingen blijft in stand, de boete wordt verminderd tot €2.500 en de uitspraak op bezwaar wordt vernietigd wegens schending van de hoorplicht.