Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vaststelling van het gedifferentieerde premiepercentage Werkhervattingskas (Whk) 2020 door de inspecteur, specifiek tegen de toerekening van een ZW-uitkering van €8.827,50 aan een ex-werknemer. Belanghebbende stelde dat deze uitkering ten onrechte aan haar was toegerekend omdat zij niet tijdig bezwaar kon maken tegen de toekenning door het UWV.
De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 73b van de Ziektewet (ZW) een beroep tegen de opslag of korting in het kader van de Whk niet gegrond kan worden verklaard op het argument dat een uitkering onterecht of te hoog is vastgesteld. Belanghebbende had de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen de toekenningsbeslissing bij het UWV, maar had dit niet gedaan, waardoor deze beslissing formele rechtskracht heeft gekregen.
Het betoog dat de inspecteur gehouden zou zijn evidente fouten in de toerekening te corrigeren, werd verworpen omdat deze fouten zijn gebaseerd op een onjuiste toekenning die buiten deze procedure valt. De rechtbank zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de vaststelling van het gedifferentieerde premiepercentage Werkhervattingskas 2020 wordt ongegrond verklaard.