Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
- het verzoek tot een beslissing in een deelgeschil ex artikel 1019w Rv met producties 1 tot en met 12;
- het verweerschrift in deelgeschil tevens houdende een voorwaardelijk antidotaal verzoek met producties 1 tot en met 3;
- de mondelinge behandeling op 23 maart 2021;
- de brief van mr. Van Schoonhoven van 3 mei 2021 met aanvullend verzoek en bijlage;
- de brief van mr. Gruben van 25 mei 2021.
2. Het verzoek en het voorwaardelijk tegenverzoek
3.De beoordeling
2.DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL
3.Slotvraag
de huidige beperkingen en klachten zijn, gezien de anamnese en de eerder arthroscopische bevindingen in 1994, allen het gevolg van het ongeval d.d. 28-01-2012’, overeind kan blijven.
Op 30-01-2014 hebt u mede namens Professor [naam deskundig 2] een expertiserapport
Voor uw rapport beschikte u over de brief van de huisarts van 29-01-2013 (door u
Zekerheidshalve doe ik u die brief nogmaals als bijlage toekomen.
Als voetnoot in deze brief staan journaalregels vermeld van 22-12-2011 en 17-01-
Eveneens beschikte u over een brief van de huisarts van 15-05-2012.
Geeft het antwoord op beide vorige vragen aanleiding om de conclusies uit uw
de huidige beperkingen en klachten zijn, gezien de anamnese en de eerder arthroscopische bevindingen in 1994, allen het gevolg van het ongeval d.d. 28-01-2012.’ Tussen partijen is opnieuw discussie ontstaan over de gevolgen van het ongeval, met name over vóór het ongeval aanwezige knieklachten en na het ongeval aanwezige knieklachten. Partijen verschillen van mening of voor het ongeval aanwezige knieklachten zijn onderkend en door u zijn betrokken in uw oordeelsvorming. In dat verband zijn de volgende (bijgevoegde) huisartsenbrieven relevant: