Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende had vier beschikkingen ontvangen voor teruggave van BPM ter waarde van €1.975, die door de ontvanger werden verrekend met openstaande BPM-schulden. Tegen deze verrekeningsbeschikkingen werd bezwaar gemaakt, dat door de ontvanger niet-ontvankelijk werd verklaard omdat bezwaar tegen deze besluiten niet mogelijk zou zijn.
Belanghebbende stelde in beroep dat hij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase en dat de verrekening en de daarbij berekende invorderingsrente in strijd zouden zijn met Unierecht. De rechtbank oordeelde dat besluiten over verrekening van belastingbedragen niet onder de bevoegdheid van de belastingrechter vallen, maar onder de burgerlijke rechter, en dat daarom de bestuursrechter zich onbevoegd verklaart.
Daarnaast wees de rechtbank het verzoek om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat de onbevoegdverklaring van de bestuursrechter ook geldt voor nevenbeslissingen zoals immateriële schadevergoeding. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en verwijst belanghebbende naar de burgerlijke rechter voor verdere geschillen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om te oordelen over het beroep tegen de verrekening van BPM-teruggaven en wijst het verzoek om schadevergoeding af.