De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 4 augustus 2021 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van drie woninginbraken gepleegd tussen 27 november en 20 december 2020. De officier van justitie achtte slechts één woninginbraak wettig en overtuigend bewezen, namelijk die op 20 december 2020 waarbij verdachte via inklimming sieraden en een ochtendjas heeft weggenomen. Voor de andere twee inbraken was het bewijs onvoldoende, mede door een deskundigenrapport dat twijfels opriep over de herkenning van verdachte op camerabeelden.
De verdediging betoogde eveneens dat verdachte slechts schuldig was aan de eerste woninginbraak en vrijgesproken moest worden van de overige feiten. De rechtbank volgde dit standpunt en sprak verdachte vrij van de feiten 2 en 3. Wel werd vastgesteld dat verdachte strafbaar was voor de diefstal door inklimming, waarbij hij via een open raam op de eerste verdieping de woning binnendrong.
De rechtbank stelde vast dat de officier van justitie bewust ontlastende informatie over de herkenningen van verdachte had achtergehouden tot na de feitenbehandeling, wat een vormverzuim opleverde maar geen reden was voor niet-ontvankelijkheid. Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met deze niet-magistratelijke handelwijze en legde een gevangenisstraf van 99 dagen op, gelijk aan het voorarrest dat verdachte had ondergaan. De voorlopige hechtenis werd opgeheven.
De rechtbank benadrukte dat het plegen van een woninginbraak door inklimming een ernstige inbreuk op de privacy van bewoners inhoudt en dat het ongeloofwaardig was dat verdachte spontaan tot deze daad was gekomen, gezien zijn recente aankomst in Nederland. De strafmaat werd mede bepaald aan de hand van de Landelijke Oriëntatiepunten Vakinhoud Strafrecht (LOVS).