Een werknemer was van 2008 tot 2020 in dienst als chauffeur met een 40-urige werkweek. Hij vorderde achterstallig vakantieloon over 2014-2018, inclusief vergoeding voor overuren, op grond van de Arbeidstijdenrichtlijn en jurisprudentie van het Hof van Justitie.
De cao bepaalde dat vakantieloon tot 2019 alleen het basisloon omvatte, waarna toeslagen en overwerkvergoeding werden toegevoegd. De werknemer weigerde afstand te doen van rechten op vergoeding en stelde dat hij recht had op loon over overuren tijdens vakantie. De werkgever betwistte dit en voerde verjaring en klachtplicht aan.
De rechtbank oordeelde dat de vordering deels verjaard was, maar dat de klachtplicht niet was geschonden. Jurisprudentie van het Hof van Justitie vereist dat overurenvergoeding alleen meetelt als de werknemer verplicht is op regelmatige en voorspelbare basis overuren te maken. De werknemer kon dit niet aannemelijk maken, noch was hij daartoe verplicht volgens arbeidsovereenkomst en cao.
Daarom werd de loonvordering afgewezen en werd de werknemer veroordeeld in de proceskosten.