Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn portiekflat, die de heffingsambtenaar had vastgesteld op €146.000 voor het kalenderjaar 2019 met een waardepeildatum van 1 januari 2018. Belanghebbende stelde dat de waarde gebaseerd moest worden op de eigen aankoopprijs van €125.000 in november 2016, geïndexeerd tot €136.000.
De heffingsambtenaar verdedigde de waarde met een waardematrix van zeven vergelijkbare flatwoningen die kort voor en na de waardepeildatum waren verkocht. De rechtbank oordeelde dat de vergelijkingsmethode de juiste methode is, omdat de aankoopprijs buiten de toegestane termijn van een jaar rond de waardepeildatum viel en er voldoende vergelijkbare referentiewoningen beschikbaar waren.
De rechtbank stelde vast dat de heffingsambtenaar voldoende rekening had gehouden met verschillen tussen de woning en referentieobjecten en dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.