Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging
7.Het beslag
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
negen maanden;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Op 5 mei 2021 werd verdachte in zijn flatwoning in Oosterhout betrapt met ruim 105 kilo softdrugs en een nepvuurwapen. Verdachte bekende het bezit, maar stelde dat hij dacht dat het om circa 30 kilo ging. De rechtbank achtte deze verklaring ongeloofwaardig gezien het gewicht dat verdachte zelf droeg en zijn kennis van gewichten.
De rechtbank concludeerde dat verdachte doelbewust handelde in de georganiseerde drugshandel, gezien de grote hoeveelheid drugs met een straatwaarde van bijna een miljoen euro. Verdachte gaf aan financieel afhankelijk te zijn van zijn vriendin, maar dit weerlegde het vermoeden van actieve betrokkenheid niet.
De officier van justitie eiste tien maanden gevangenisstraf waarvan drie voorwaardelijk, maar de rechtbank legde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden op, zonder voorwaardelijk deel, omdat verdachte geen concrete hulpvraag had voor reclassering.
Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis werd afgewezen vanwege het recidivegevaar en de ernst van de feiten. Twee geldbedragen in beslag genomen onder verdachte werden teruggegeven omdat er geen onderzoek naar de herkomst was gedaan.
De rechtbank sprak verdachte vrij van overige tenlastegelegde feiten en bepaalde dat de tijd in voorarrest in mindering wordt gebracht op de opgelegde straf.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot negen maanden gevangenisstraf voor het bezit van ruim 105 kilo softdrugs en een nepvuurwapen.