ECLI:NL:RBZWB:2021:4191

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 augustus 2021
Publicatiedatum
17 augustus 2021
Zaaknummer
388523
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing op wrakingsverzoek tegen rolrechter wegens vermeende schending recht op eerlijke procesgang

Verzoekster Justitae Tenax B.V. heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de kantonrechter die haar zaak behandelde, stellende dat sprake zou zijn van schending van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) betreffende het recht op een eerlijke procesgang.

De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld en geoordeeld dat de beslissing van de rolrechter op de rolzitting van 7 juli 2021 een procesbeslissing betreft, welke in principe geen grond voor wraking vormt. Verzoekster heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid opleveren of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor.

De correspondentie van verzoekster werd na verwijzing van de zaak naar de rol voor het wijzen van vonnis geretourneerd, wat standaard uitvoeringshandelingen zijn en geen indicatie van onpartijdigheidsschending vormen.

Daarom verklaarde de wrakingskamer het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond en bepaalde dat de zaak zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens indiening van het verzoek. Een mondelinge behandeling van het verzoek werd achterwege gelaten.

Uitkomst: Wrakingsverzoek tegen rolrechter wordt kennelijk ongegrond verklaard en de zaak wordt voortgezet.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer
Middelburg
zaaknummer / rekestnummer: C/02/388523 / HA RK 21-174
Beschikking van 12 augustus 2021
in de zaak van
JUSTITAE TENAX B.V.,
m.h.o.d.n. [handelsnaam],
gevestigd te Oudenbosch,
verzoekster,
gemachtigde F. Krougman.

1.Het procesverloop

  • het wrakingsverzoek ontvangen bij e-mail van 3 augustus 2021,
  • de mededeling van mr. J.A.J. van den Boom van 4 augustus 2021 dat hij niet in de wraking berust.

2.De beoordeling

2.1.
Op grond van artikel 36 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering kan op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.
2.2.
De wrakingskamer stelt voorop dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter het uitgangspunt geldt dat een rechter op grond van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Een uitzonderlijke omstandigheid kan een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter jegens een procespartij vooringenomenheid koestert, of dat een bij een partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
2.3.
Verzoekster verzoekt wraking van de kantonrechter die de zaak in behandeling heeft. Verzoekster legt aan haar verzoek schending van artikel 6 Europees Pro Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) ten grondslag. Correspondentie van de gemachtigde van verzoekster wordt geretourneerd.
2.4.
De wrakingskamer heeft omdat verzoekster artikel 6 EVRM Pro, inhoudend het recht op een eerlijke procesgang, aan haar verzoek ten grondslag legt, het verzoek aangemerkt als te zijn gericht tegen de rolrechter die ter rolle van 7 juli 2021, in de zaak waarin het wrakingsverzoek is gedaan, geen nader uitstel voor het nemen van de conclusie van dupliek heeft gegeven en de zaak voor vonnis heeft verwezen naar de rolzitting van 4 augustus 2021.
2.5.
Uit het procesverloop van de zaak waarin het verzoek tot wraking is gedaan blijkt het navolgende. De zaak stond op de rol van 15 mei 2021 voor het nemen van de conclusie van dupliek door verzoekster. Op die rol is een aanhouding verleend voor het nemen van de conclusie van dupliek tot 9 juni 2021 en vervolgens een laatste uitstel tot 7 juli 2021.
Verzoekster heeft geen nadere aanhouding verzocht en geen conclusie van dupliek genomen. De zaak is door de rolrechter verwezen naar de rolzitting van 4 augustus 2021 voor het wijzen van vonnis. Op 14 juli 2021 is een brief van de gemachtigde van verzoekster ontvangen. Die brief is bij brief van 19 juli 2021 van de griffier geretourneerd met de mededeling dat op de ingezonden stukken geen acht kan worden geslagen omdat de zaak voor vonnis naar de zitting van 4 augustus 2021 is verwezen. Ook op twee daaropvolgend ingekomen schriftelijke reacties van de gemachtigde
van gedaagde is meegedeeld dat daarop, om dezelfde reden, geen acht kan worden geslagen.
2.6.
De beslissing van de rolrechter op de rolzitting van 7 juli 2021 is een procesbeslissing. Een procesbeslissing vormt geen grond voor wraking. Dit is anders indien die beslissing dermate onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat een bij een partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Door verzoekster zijn geen feiten en/of omstandigheden gesteld op grond waarvan moet worden aangenomen dat daarvan sprake is. Dat de, na verwijzing van de zaak naar de rol voor het wijzen van vonnis, ingekomen brief van de gemachtigde van verzoekster van 14 juli 2021 en de twee daaropvolgende reacties van de gemachtigde van verzoekster zijn geretourneerd omdat de zaak voor vonnis staat, kan niet tot dat oordeel leiden. Dit moet worden aangemerkt als uitvoeringshandelingen die standaard worden verricht bij binnenkomst van nadere stukken en/of correspondentie nadat een zaak naar de rol is verwezen voor het wijzen van vonnis. De wrakingskamer is dan ook van oordeel dat het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond moet worden verklaard.
2.7.
Omdat sprake is van een kennelijk ongegrond wrakingsverzoek laat de wrakingskamer een mondelinge behandeling van het verzoek achterwege. De mededeling van verzoekster het verzoek nader ter terechtzitting te willen toelichten staat hieraan niet in de weg. Ingevolge artikel 1 lid 4 van Pro het “Wrakingsprotocol rechtbank Zeeland-West-Brabant per 1 april 2021” dient het verzoek de feiten en of omstandigheden te vermelden waardoor volgens verzoeker de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden en moeten alle feiten en omstandigheden tegelijk worden voorgedragen.

3.De beslissing

De wrakingskamer:
3.1.
verklaart het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond,
3.2.
bepaalt dat de zaak met nummer: 8921295 \ CV EXPL 20-4468 zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens indiening van het verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. B.J. Duinhof, mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en mr. B.F.Th. de Roos en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2021.
MdB