ECLI:NL:RBZWB:2021:4293

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 augustus 2021
Publicatiedatum
25 augustus 2021
Zaaknummer
AWB- 21_3329 VV
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling CBR in proceskosten na teruggeven rijbewijs na voorlopige voorziening

Verzoeker maakte bezwaar tegen het besluit van het CBR tot ongeldigverklaring van zijn rijbewijs en vroeg om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter in Rotterdam wees dit verzoek toe en schorste het besluit tot zes weken na beslissing op bezwaar. Ondanks de schorsing kreeg verzoeker zijn rijbewijs niet terug, waarna hij opnieuw een voorlopige voorziening verzocht om naleving van het eerdere vonnis.

Voordat de zitting plaatsvond, gaf het CBR het rijbewijs alsnog terug per aangetekende brief, waarna verzoeker het verzoek om voorlopige voorziening introk en verzocht het CBR te veroordelen in de proceskosten. Het CBR stemde in met vergoeding van griffierecht en proceskosten.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het CBR aan verzoeker was tegemoetgekomen en veroordeelde het CBR in de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 748 op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak is definitief en werd gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande op 25 augustus 2021.

Uitkomst: Het CBR is veroordeeld in de proceskosten van verzoeker ter hoogte van € 748 na teruggeven van het rijbewijs.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/3329 VV
uitspraak van 25 augustus 2021 van de voorzieningenrechter op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen

[naam verzoeker], te [woonplaats verzoeker], verzoeker,

gemachtigde: mr. D.R. Changoer,
en
De algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR),verweerder.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter heeft, met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten.
2. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb in samenhang bezien met artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb, kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.
3. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 14 juni 2021 (bestreden besluit) van het CBR inzake de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
4. Bij uitspraak van 14 juli 2021 [1] heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam, zittingsplaats Dordrecht, het verzoek toegewezen. Daarbij is het bestreden besluit geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Verzoeker heeft zijn rijbewijs echter niet terug gekregen van het CBR. Daarom heeft hij opnieuw een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, waarbij de voorzieningenrechter verzocht wordt te bepalen dat het CBR de uitspraak van 14 juli 2021 dient na te komen.
5. Voordat een zitting heeft plaatsgevonden, heeft het CBR het rijbewijs alsnog per aangetekende brief van 11 augustus 2021 aan verzoeker geretourneerd. Hij heeft deze op 13 augustus 2021 ontvangen. Vervolgens heeft verzoeker het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken, met het verzoek het CBR te veroordelen in de proceskosten. Het CBR heeft gesteld bereid te zijn het griffierecht en de proceskosten (1 punt) te vergoeden.
6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het CBR aan verzoeker tegemoetgekomen. Hierin ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het CBR te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 748 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 748 en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter veroordeelt het CBR in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 748.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier, op 25 augustus 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zaaknummer ROT 21/3479