Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, woonachtig in Duitsland, had voor het jaar 2018 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd gekregen, inclusief belastingrente en een verzuimboete wegens het niet tijdig indienen van de aangifte. De inspecteur had de aanslag gebaseerd op een belastbaar inkomen uit werk en woning van €26.749 en een inkomen uit sparen en beleggen van €2.516, met een verzuimboete van €369 en belastingrente van €131.
Na ontvangst van de aangifte op 6 maart 2020, waarin belanghebbende diverse aftrekposten had opgegeven, had de inspecteur de aanslag aangepast. De hypotheekrenteaftrek werd vastgesteld op €1.697, de huurwaarde op €560, en het inkomen uit sparen en beleggen werd op nihil gesteld. De specifieke zorgkosten en giftenaftrek werden niet toegelaten vanwege onvoldoende bewijs. De verzuimboete bleef gehandhaafd.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de specifieke zorgkosten en giften daadwerkelijk en in het juiste jaar waren gemaakt. Ook was de verzuimboete terecht opgelegd omdat de aangifte niet binnen de gestelde termijnen was ingediend. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting 2018 en de verzuimboete is ongegrond verklaard.