ECLI:NL:RBZWB:2021:4470
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde tussenwoning in bezwaar en beroep
Belanghebbende is eigenaar van een tussenwoning met berging en tuin, gelegen op een perceel van ongeveer 145 m². De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde voor het kalenderjaar 2020 vast op €181.000, welke belanghebbende betwistte en aanvoerde dat de waarde maximaal €150.000 zou moeten zijn. De waardepeildatum is 1 januari 2019.
De rechtbank toetste de waardebepaling aan de hand van de vergelijkingsmethode, waarbij de waarde wordt vastgesteld door vergelijking met verkoopprijzen van vergelijkbare woningen rond de waardepeildatum. De taxateur gebruikte drie vergelijkingsobjecten in dezelfde plaats, die qua bouwjaar, woonoppervlakte en afwezigheid van uitbouw of dakkapel vergelijkbaar zijn. De voorzieningen en onderhoud van belanghebbendes woning werden als matig gewaardeerd, wat resulteerde in een waardevermindering van 12% ten opzichte van de vergelijkingsobjecten.
Belanghebbende stelde dat onvoldoende rekening was gehouden met de gedateerde voorzieningen en dat zijn woning een andere waardeontwikkeling had doorgemaakt. De rechtbank oordeelde echter dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. De vergelijkingsobjecten waren passend en de waardevermindering was adequaat verwerkt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €181.000 wordt ongegrond verklaard.