Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Procesverloop
2.Overwegingen
3.Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de vastgestelde waarde tot € 186.000 en vermindert de aanslag OZB dienovereenkomstig;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn drive-inwoning met inpandige garage en tuin, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €194.000 voor het kalenderjaar 2020. De waardepeildatum was 1 januari 2019. De rechtbank toetste de gebruikte vergelijkingsmethode waarbij verkoopprijzen van drie vergelijkbare woningen in de buurt werden gebruikt, inclusief correcties voor verschillen in perceeloppervlakte en voorzieningen.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de vastgestelde waarde van €194.000 juist was, mede omdat de gehanteerde correcties niet consistent waren met de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten. Belanghebbende had zelf een lagere waarde van €176.000 voorgesteld, maar ook deze waarde werd niet voldoende onderbouwd.
Gezien het ontbreken van overtuigend bewijs van beide partijen stelde de rechtbank de WOZ-waarde in goede justitie vast op €186.000. Daarnaast werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende en het griffierecht. Het beroep werd daarmee gegrond verklaard en de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig verminderd.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt vastgesteld op €186.000 en de aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd.