ECLI:NL:RBZWB:2021:4472

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 september 2021
Publicatiedatum
7 september 2021
Zaaknummer
BRE 19/3430
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 225 GemeentewetArtikel 231 GemeentewetArtikel 9 Invorderingswet 1990Artikel 11 Invorderingswet 1990Artikel 2 Kostenwet invordering rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onterecht in rekening gebrachte aanmaningskosten parkeerbelasting door gemeente Breda

Belanghebbende, woonachtig in België, ontving een naheffingsaanslag parkeerbelasting van de gemeente Breda van €64,90 met een betalingstermijn van 14 dagen. De aanmaning met aanmaningskosten van €7 werd echter te vroeg verzonden, terwijl belanghebbende de aanslag binnen de termijn betaalde nadat hij deze daadwerkelijk had ontvangen. De rechtbank oordeelt dat de betalingstermijn begint te lopen vanaf het moment dat de aanslag de belanghebbende bereikt, wat door grensoverschrijdende postbezorging later was dan de dagtekening.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak op bezwaar en vermindert de aanmaningskosten tot nihil. Tevens veroordeelt zij de heffingsambtenaar in de proceskosten van €1.068 en de Staat der Nederlanden tot vergoeding van immateriële schade van €500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank benadrukt dat de invorderingsambtenaar de aanmaning niet had mogen versturen omdat de aanslag binnen de wettelijke termijn was betaald. De vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van ruim drie maanden in de beroepsfase. De uitspraak is gedaan door rechter L.P. Hertsig en openbaar gemaakt op 6 september 2021.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de aanmaningskosten en veroordeelt de heffingsambtenaar in proceskosten en de Staat tot vergoeding van immateriële schade.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 19/3430
uitspraak van 6 september 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats] (België), belanghebbende,
gemachtigde mr. N.G.A. Voorbach.
en
de invorderingsambtenaar van de gemeente Breda, de invorderingsambtenaar.
Derde partij:
de Staat der Nederlanden(de Minister van Justitie en Veiligheid).

1.Procesverloop

De invorderingsambtenaar heeft in een uitspraak op bezwaar met dagtekening 6 juni 2019 het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde aanmaningskosten met betrekking tot de naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld.
De invorderingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2021 te Breda. Aldaar is via een beeldverbinding gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, mr. N.G.A. Voorbach. De invorderingsambtenaar heeft zich bij brief van 4 augustus 2021, door de rechtbank ontvangen op 13 augustus 2021, afgemeld en is niet verschenen.

2.Overwegingen

Feiten
2.1.
Belanghebbende is woonachtig in België.
2.2.
De heffingsambtenaar van de gemeente Breda heeft aan belanghebbende op 10 april 2019 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd voor een bedrag van € 64,90. Met dagtekening 30 april 2019 een duplicaat van de naheffingsaanslag gezonden naar het adres van belanghebbende.
2.3.
Met dagtekening 17 mei 2019 heeft de invorderingsambtenaar een aanmaning verzonden naar het adres van belanghebbende en daarbij € 7 kosten in rekening gebracht.
2.4.
Omstreeks 19 mei 2019 heeft belanghebbende het oorspronkelijke bedrag van de naheffingsaanslag betaald.
2.5.
Op 22 mei 2019 heeft belanghebbende, onder vermelding van het aanslagnummer, een e-mail gezonden aan de invorderingsambtenaar waarin hij stelt telefonisch gesproken te hebben met een medewerker van Cannock Chase Public, de organisatie die namens de invorderingsambtenaar optreedt. In dit telefoongesprek is aan belanghebbende gemeld dat de invorderingsambtenaar inmiddels op 17 mei 2019 een aanmaning heeft verzonden. Belanghebbende meldt dat hij de aanmaning nog niet heeft ontvangen maar hij geeft aan niet van plan te zijn de aanmaningskosten te betalen. De invorderingsambtenaar heeft deze e-mail als bezwaarschrift aangemerkt.
2.6.
Met dagtekening 3 juni 2019 heeft de gemachtigde van belanghebbenden per e-mail een brief gezonden gericht aan de heffingsambtenaar, kennelijk bedoeld als aanvulling op het bezwaarschrift van belanghebbende.
2.7.
Met dagtekening 6 juni 2019 heeft de invorderingsambtenaar uitspraak op bezwaar gedaan zonder rekening gehouden met de brief van 3 juni 2019.
Geschil
2.8.
In geschil is of de invorderingsambtenaar terecht aanmaningskosten in rekening heeft gebracht.
Toetsingskader
2.9.
Op grond van de Gemeentewet zijn gemeenten bevoegd om parkeerbelasting te heffen [1] . De gemeente Breda heeft hiervan gebruik gemaakt [2] . Op grond van diezelfde Gemeentewet is voor de invordering van parkeerbelastingen de bepalingen van de Invorderingswet 1990 (Invorderingswet) en de Kostenwet invordering rijksbelastingen (de Kostenwet) van toepassing [3] . Gelet op de bepalingen in de Invorderingswet geldt voor een naheffingsaanslag een minimale betalingstermijn van 14 dagen, gerekend vanaf de dagtekening van de aanslag [4] . Na afloop van die betalingstermijn kan de invorderingsambtenaar - indien de belastingplichtige de aanslag nog niet heeft betaald - een aanmaning zenden. Op grond van de Kostenwet mag de invorderingsambtenaar hiervoor € 7 kosten in rekening brengen [5] .
Beoordeling geschil
2.10.
Niet in geschil is dat belanghebbende de naheffingsaanslag heeft betaald na het verstrijken van de op die aanslag vermelde betaaltermijn. De rechtbank is desondanks van oordeel dat de aanmaning te vroeg heeft verzonden en overweegt daartoe als volgt. Gelet op de parlementaire behandeling van de betreffende bepaling in de Invorderingswet is de wetgever bij het vaststellen van de minimale betaaltermijn er vanuit gegaan dat de naheffingsaanslag de belastingplichtige nog voor de dagtekening van de aanslag bereikt. Belanghebbende heeft onbetwist gesteld dat zijn vrouw de naheffingsaanslag heeft ontvangen op 10 mei 2019. Belanghebbende was toen op vakantie. De rechtbank acht het aannemelijk dat belanghebbende de naheffingsaanslag als gevolg van de grensoverschrijdende postbezorging inderdaad pas op die datum heeft ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheid belanghebbende niet is aan te rekenen zodat een redelijke toepassing van de betreffende bepaling in de Invorderingswet met zich meebrengt dat voor hem de in die bepaling gestelde termijn van 14 dagen ingaat op de datum waarop de naheffingsaanslag hem heeft bereikt. Belanghebbende heeft de naheffingsaanslag omstreeks 19 mei 2019, maar gelet op zijn e-mail uiterlijk 22 mei 2019, betaald. Hij heeft de naheffingsaanslag dus binnen de betaaltermijn voldaan zodat er voor de invorderings-ambtenaar geen reden was om een aanmaning te verzenden. De aanmaningskosten zijn dan ook ten onrechte in rekening gebracht. Gelet hierop zal het beroep gegrond worden verklaard.
Redelijke termijn
2.11.
Belanghebbende maakt aanspraak op vergoeding van immateriële schade vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
2.12.
Het bezwaarschrift is op 22 mei 2019 door de heffingsambtenaar ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 6 september 2021. De redelijke termijn voor behandeling van bezwaar en beroep bedraagt twee jaar, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. Nu de redelijke termijn met ruim drie maanden is overschreden, heeft belanghebbende - uitgaande van € 500,- per overschrijding per half jaar - recht op een schadevergoeding van € 500,-. Deze overschrijding van de redelijke termijn heeft zich in de beroepsfase voorgedaan zodat Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) deze vergoeding moet betalen.
Vergoeding proceskosten
2.13.
De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.068 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 1).
2.14.
De rechtbank kent belanghebbende geen vergoeding voor kosten in bezwaar toe. Het enige stuk dat in de bezwaarfase door de invorderingsambtenaar is ontvangen en behandeld is door belanghebbende zelf ingediend. De e-mail/brief van de gemachtigde van
3 juni 2019 was gericht aan de heffingsambtenaar en heeft de invorderingsambtenaar niet (tijdens de bezwaarfase) bereikt zodat het ook geen onderdeel uitmaakt van de bezwaarfase en hiervoor ook geen punt wordt toegekend.

3.Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de aanmaningskosten tot nihil;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.068;
  • gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 47 aan hem vergoedt;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van geleden immateriële schade ten bedrage van € 500.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van
drs. L. Mattijssen, griffier, op 6 september 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te tekenen.
rechter
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bijlage
Gemeentewet
Artikel 225
1. In het kader van de parkeerregulering kunnen de volgende belastingen worden geheven:
a. een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij de belastingverordening dan wel krachtens de belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze;
b. een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze.
(..)
Artikel 231
1. Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde geschieden de heffing en de invordering van gemeentelijke belastingen met toepassing van de Algemene wet, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen als waren die belastingen rijksbelastingen.
(..)
Invorderingswet 1990
Artikel 9
1. Een belastingaanslag is invorderbaar zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet.
2. In afwijking van het eerste lid is een navorderingsaanslag, alsmede een conserverende navorderingsaanslag invorderbaar één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en een naheffingsaanslag invorderbaar veertien dagen na de dagtekening van het aanslagbiljet.
(..)
Artikel 11
Indien de belastingschuldige een belastingaanslag niet binnen de gestelde termijn betaalt, maant de ontvanger hem schriftelijk aan om alsnog binnen twee weken na de dagtekening van de aanmaning te betalen.
Kostenwet invordering rijksbelastingen (tekst geldig op 17 mei 2019)
Artikel 2
Voor het verzenden van een aanmaning tot betaling is verschuldigd € 7 bij een gevorderde som tot € 454 en € 16 bij een gevorderde som van € 454 of meer.

Voetnoten

1.Artikel 225 van Pro de Gemeentewet
2.Verordening parkeerbelastingen Breda 2019
3.Artikel 231 van Pro de Gemeentewet
4.Artikel 9, tweede lid, van de Invorderingswet
5.Artikel 2 van Pro de Kostenwet