ECLI:NL:RBZWB:2021:4474
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontvankelijkheid bezwaren tegen leges omgevingsvergunning gemeente Breda
Belanghebbende maakte bezwaar tegen vier legesnota’s voor omgevingsvergunningen opgelegd door de gemeente Breda. De bezwaren tegen drie nota’s werden door de heffingsambtenaar niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn, terwijl het bezwaar tegen de vierde nota ongegrond werd verklaard.
Belanghebbende stelde dat hij met opmerkingen bij betalingen tijdig bezwaar had gemaakt en dat de gemeente onzorgvuldig had gehandeld, waardoor de nota’s onterecht waren opgelegd. De rechtbank oordeelde dat opmerkingen bij betalingen niet als bezwaarschriften kunnen worden aangemerkt, mede omdat deze niet aan de juiste ambtenaar waren gericht.
De rechtbank stelde vast dat de bezwaartermijnen voor de drie nota’s waren verstreken voordat het schriftelijke bezwaar werd ingediend. Een latere herroeping van een vergunning rechtvaardigt geen verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank kwam daarom tot het oordeel dat de bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard en verklaarde het beroep ongegrond.
De inhoudelijke klachten van belanghebbende werden niet behandeld, maar de rechtbank merkte op dat de legesverordeningen rechtvaardigen dat leges worden geheven bij het indienen van een aanvraag, ongeacht de uiteindelijke vergunningstatus. Eventuele claims tegen de gemeente voor onzorgvuldig handelen dienen rechtstreeks aan het college te worden gericht.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de bezwaren tegen drie legesnota’s niet-ontvankelijk en het beroep ongegrond.