Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende kreeg een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd voor het jaar 2017, met uitstel van betaling. De ontvanger bracht invorderingsrente van €43 in rekening, waartegen belanghebbende bezwaar maakte. De berekening van de invorderingsrente stond niet meer ter discussie, maar het geschil betrof de toekenning van proceskostenvergoeding.
Belanghebbende stelde dat hij proceskostenvergoeding verdiende omdat de ontvanger tijdens de bezwaarprocedure geen toelichting gaf op de berekening van de invorderingsrente, waardoor hij onnodig in beroep moest gaan. De ontvanger bood een compromis aan, maar dit werd niet geaccepteerd.
De rechtbank oordeelde dat de ontvanger het motiveringsbeginsel heeft geschonden door in de uitspraak op bezwaar geen berekening of relevante wetsartikelen te vermelden, waardoor belanghebbende onvoldoende werd geïnformeerd. Deze schending leidde echter niet tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar de ontvanger werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €374 en het griffierecht van €48 aan belanghebbende.
Uitkomst: Het beroep is ongegrond verklaard, maar de ontvanger is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.