De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 9 september 2021 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van beroving met geweld, wederrechtelijke vrijheidsberoving en diefstal van een groot geldbedrag samen met anderen. De tenlastelegging betrof onder meer het bedreigen en vasthouden van het slachtoffer en het stelen van bankpassen en geld.
De officier van justitie baseerde haar bewijs op aangifte, letselfoto’s, bankafschriften, camerabeelden van een pinautomaat en telefoononderzoek. Verdachte zou herkenbaar zijn op camerabeelden door een bril en zijn telefoon zou een zendmast nabij de plaats delict hebben aangestuurd. Daarnaast werd een nauwe samenwerking met medeverdachten gesteld.
De verdediging voerde aan dat de bril een veelvoorkomend model is en dat het telefoononderzoek geen belastende betekenis heeft omdat verdachte in de buurt woont. Ook ontbraken goederen of aankoopbewijzen die verdachte met de feiten verbinden. De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om verdachte wettig en overtuigend te verbinden aan de feiten. De herkenning op basis van de bril was onvoldoende uniek, het mondkapje van verdachte verschilde van dat van het slachtoffer en de telefoonlocatie was niet belastend. Verdachte werd daarom vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten.