ECLI:NL:RBZWB:2021:4528
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen wettelijke grondslag voor opname scheidingsconvenant tussen informeel samenwonenden
Partijen, die informeel samenwoonden en een minderjarige gezamenlijk gezag uitoefenen, hebben hun relatie beëindigd en een ouderschapsplan en een convenant einde samenwoning opgesteld. De man heeft de minderjarige erkend en partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit.
Partijen verzochten de rechtbank om het convenant en het ouderschapsplan aan de beschikking te hechten en de man te veroordelen tot betaling van een maandelijkse kinderbijdrage. De rechtbank oordeelde dat het ouderschapsplan op grond van artikel 1:247a BW en artikel 815 Rv Pro kan worden opgenomen in de beschikking, zodat dit verzoek werd toegewezen.
Echter, het convenant betreft uitsluitend vermogensrechtelijke afspraken en valt niet onder de wettelijke grondslag voor opname in een beschikking tussen ex-samenwonenden, aangezien artikel 819 Rv Pro dit alleen toelaat bij echtscheiding. De rechtbank wees daarom het verzoek tot opname van het convenant af, hoewel de afspraken tussen partijen wel bindend blijven.
De rechtbank legde de kinderbijdrage van € 328 per maand vast met ingang van de feitelijke scheidingsdatum en verklaarde deze uitvoerbaar bij voorraad. Het meer of anders verzochte werd afgewezen.
Uitkomst: Verzoek tot opname van het convenant in de beschikking afgewezen; ouderschapsplan opgenomen en kinderbijdrage vastgesteld.