Eiseres, een seizoensbedrijf gespecialiseerd in onderhoud van ski’s en snowboards, vroeg een tegemoetkoming op grond van de derde tranche van de NOW-regeling (NOW-3). De minister weigerde deze tegemoetkoming toe te kennen omdat in juni 2020 een nihilaangifte loonheffingen was gedaan, wat resulteerde in een loonsom van €0,00. De rechtbank oordeelde dat een nihilaangifte wel degelijk loongegevens oplevert en dat de regeling geen hardheidsclausule kent om af te wijken van de referentiemaand juni.
De rechtbank benadrukte dat de wetgever bewust heeft gekozen voor juni 2020 als representatieve maand vanwege administratieve redenen en het voorkomen van misbruik. Hoewel de regeling nadelig uitpakt voor seizoensbedrijven zoals eiseres, is er geen ruimte voor maatwerk binnen deze noodmaatregel. De rechtbank concludeerde dat de minister terecht het voorschot op nihil heeft gesteld en verklaarde het beroep ongegrond.
De rechtbank veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiseres. Het vonnis is openbaar gemaakt en kan binnen zes weken worden aangevochten bij de Centrale Raad van Beroep.