Verzoekster, met diverse somatische en psychische aandoeningen, waaronder levercirrose, nierfunctiestoornissen en een matig ernstige depressie, heeft een aanvraag ingediend voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) heeft deze aanvraag afgewezen omdat zij niet voldeed aan de criteria voor een grondslag verstandelijke handicap en er geen sprake was van een blijvende noodzaak tot 24-uurs zorg in de nabijheid.
De voorzieningenrechter heeft het onderzoek van de medisch adviseur als zorgvuldig beoordeeld en acht de motivering van het CIZ voldoende. De RAVEN-test uit 2017 gaf geen indicatie van een IQ van 85 of lager en er is geen bewijs dat de beperkingen in het cognitief en adaptief functioneren tijdens de vroege ontwikkelingsleeftijd zijn ontstaan. Hierdoor kan de grondslag verstandelijke handicap niet worden gesteld.
Hoewel verzoekster een intensieve zorgbehoefte heeft, is er volgens de rechter geen sprake van een eindsituatie die toegang tot Wlz-zorg rechtvaardigt. De voorzieningenrechter adviseert verzoekster om alternatieven te onderzoeken via de Wmo of Zorgverzekeringswet, zoals Beschermd Wonen, en om alsnog psychologische behandeling te starten. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter C.E.M. Marsé op 4 februari 2021 en is niet vatbaar voor beroep of hoger beroep.