ECLI:NL:RBZWB:2021:4585
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen boete wegens overschrijding inburgeringstermijn
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen een boete van €250 vanwege het verwijtbaar overschrijden van de inburgeringstermijn en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij stelde dat hij een week na de uiterste termijn was geslaagd voor alle examenonderdelen en dat het opleggen van de boete onevenredig en excessief was. De minister wees het herzieningsverzoek af omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren.
De voorzieningenrechter overwoog dat een voorlopige voorziening alleen kan worden toegekend bij onverwijlde spoed, wat bij een boete in beginsel niet het geval is omdat terugbetaling mogelijk is na bezwaar of beroep. Alleen bij betalingsonmacht kan spoedeisend belang worden aangenomen. Verzoeker voerde een acute financiële noodsituatie aan, maar de overgelegde inkomensgegevens boden onvoldoende bewijs van betalingsonmacht.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De inhoudelijke beoordeling van het bezwaar tegen de boete zal plaatsvinden in de hoofdzaak. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de boete wegens overschrijding van de inburgeringstermijn is afgewezen wegens het ontbreken van betalingsonmacht en spoedeisend belang.