ECLI:NL:RBZWB:2021:4647

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 september 2021
Publicatiedatum
20 september 2021
Zaaknummer
AWB- 21_1851
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet-betaling griffierecht bij afwijzing VOG-aanvraag

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Rechtsbescherming om de aanvraag voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) af te wijzen. De rechtbank heeft eiser schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht en de gevolgen van niet-betaling. Ondanks een herinnering per aangetekende brief is het griffierecht niet binnen de gestelde termijn betaald.

Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verklaart de rechtbank het beroep kennelijk niet-ontvankelijk vanwege het niet voldoen aan de betaling van het griffierecht. De rechtbank besluit de zaak zonder inhoudelijke behandeling af te doen. De uitspraak is gedaan door rechter L.P. Hertsig en griffier J.J.P.M. van Gestel op 17 september 2021.

Partijen en belanghebbenden kunnen binnen zes weken na verzending van de uitspraak verzet aantekenen bij de rechtbank. De rechtbank baseert haar beslissing op de artikelen 8:41 en 8:54 van de Awb, die de regels omtrent griffierecht en niet-ontvankelijkheid bij niet-betaling bevatten.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de VOG-aanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/1851 VOG

uitspraak van 17 september 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], te [plaatsnaam], eiser,

en

de minister voor Rechtsbescherming, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft bij brief van 17 april 2021 beroep ingesteld tegen het besluit van 15 maart 2021 (bestreden besluit) van de minister inzake de afwijzing van de aanvraag voor het afgeven van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) ten behoeve van de functie van koerier bij [bedrijfsnaam] te Breda.

Overwegingen

1. In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de verplichting opgenomen tot betaling van griffierecht. Eiser is schriftelijk gewezen op deze verplichting. Bij aangetekende brief van 24 mei 2021 is eiser medegedeeld dat op het eerdere verzoek om betaling van het griffierecht geen betaling is ontvangen. Eiser is voorts medegedeeld dat het griffierecht binnen vier weken na dagtekening van deze brief dient te zijn overgemaakt op de in de brief vermelde bankrekening. Eiser is er in deze brief op gewezen dat hij bij niet tijdige betaling het risico loopt dat het beroepschrift niet-ontvankelijk wordt verklaard.
2. De rechtbank constateert dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is ontvangen. Het beroep is dan ook kennelijk niet-ontvankelijk. Derhalve zal de rechtbank de zaak zonder behandeling ter zitting afdoen als hierna vermeld.
3. Bij deze beslissing is in aanmerking genomen het gestelde in de artikelen 8:41, eerste, vierde, vijfde en zesde lid, en 8:54, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van J.J.P.M. van Gestel, griffier, op 17 september 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden verzet doen bij de rechtbank. De termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de verzending van deze uitspraak.
Artikel 8:41, eerste lid, van de Awb luidt als volgt:
Van de indiener van het beroepschrift wordt door de griffier een griffierecht geheven.
Artikel 8:41, vierde lid, van de Awb luidt als volgt:
De griffier deelt de indiener van het beroepschrift mede welk griffierecht is verschuldigd en wijst hem daarbij op het bepaalde in het vijfde en zesde lid.
Artikel 8:41, vijfde lid, van de Awb luidt als volgt:
Het griffierecht dient binnen vier weken na verzending van de mededeling van de griffier te zijn bijgeschreven op de rekening van het gerecht dan wel ter griffie te zijn gestort.
Artikel 8:41, zesde lid, van de Awb luidt als volgt:
Indien het bedrag niet tijdig is bijgeschreven of gestort, is het beroep niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb luidt als volgt:
Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, kan de bestuursrechter het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is.