Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 27 september 2021 van de meervoudige kamer in de zaak tussen
de gedeputeerde staten van de provincie Zeeland, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
1. Feiten
2. Gronden
3. Wettelijk kader
4. Beoordeling
geweer(met
instrumentof
voorzieningom in de nacht te schieten) te gebruiken van zonsondergang tot zonsopgang. Door middel van die ontheffingen is geen toestemming verleend om
vossen te dodenvan zonsondergang tot zonsopgang. Op grond van artikel 3.10, eerste lid, onder a, van de Wnb is het verboden om vossen opzettelijk te doden of te vangen. Er geldt een landelijke vrijstelling van dit verbod, maar die geldt alleen overdag. [1] Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder ook een ontheffing moeten verlenen van dat verbod op grond van artikel 3.10, tweede lid, jo. artikel 3.8 van de Wnb. Nu deze omissie een wezenlijk onderdeel van (de grondslag van) het besluit vormt, is het beroep reeds hierom gegrond en heeft dit een vernietiging van het bestreden besluit tot gevolg. Nu ter zitting eveneens is gebleken dat alle partijen het erover eens zijn dat het bedoeling is een ontheffing te verkrijgen van het verbod om de vos in de nachtelijke uren te doden, zal de rechtbank hier van uitgaan, de zaak verder beoordelen en afhankelijk van de uitkomst hiervan bezien of zelf voorziend alsnog een ontheffing van dit verbod gegeven wordt.
5. Conclusie
6. Proceskosten
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij is verzuimd ontheffing te verlenen van het verbod genoemd in artikel 3.10, eerste lid, onder a, van de Wet natuurbescherming;
- verleent, zelf voorziend, alsnog deze ontheffing;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 360,- aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 54,80.