ECLI:NL:RBZWB:2021:4812
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beëindiging indicatie huishoudelijke ondersteuning op grond van de Wmo 2015
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk om zijn indicatie voor huishoudelijke ondersteuning per 1 maart 2021 te beëindigen. Het college baseerde dit besluit op artikel 2.3.10 van de Wmo 2015, omdat verzoeker niet meer voldeed aan de voorwaarden voor huishoudelijke ondersteuning vanwege onhygiënische en onveilige arbeidsomstandigheden in zijn woning.
De voorzieningenrechter stelde vast dat de verstrekte maatwerkvoorziening inmiddels was verstreken, maar dat verzoeker voldoende procesbelang had omdat een inhoudelijk oordeel van belang kon zijn voor een toekomstige aanvraag. Ook was er sprake van spoedeisend belang omdat verzoeker geen alternatieve hulp had en niet in staat was zelf huishoudelijke hulp in te kopen.
Uit het dossier en de zitting bleek dat de woning van verzoeker overvol stond met spullen, waardoor schoonmaken niet mogelijk was en de situatie onveilig en onhygiënisch was. Verzoeker had geen actie ondernomen om de situatie te verbeteren en had geen hulp geaccepteerd. Het college had voldoende moeite gedaan om samen tot een oplossing te komen.
De voorzieningenrechter concludeerde dat verzoeker zich niet had gehouden aan de verplichtingen verbonden aan het gebruik van de maatwerkvoorziening en dat het college terecht de indicatie had beëindigd. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de indicatie huishoudelijke ondersteuning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.