Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, woonachtig in België, heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2018, waarin de inspecteur de aftrek van scholingsuitgaven heeft geweigerd en een bedrag aan niet opgegeven loon heeft toegevoegd.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur bevoegd was om op het bezwaar te beslissen ondanks overschrijding van de beslistermijn, omdat deze termijn een termijn van orde is zonder directe rechtsgevolgen.
Juridisch is vastgesteld dat scholingsuitgaven alleen aftrekbaar zijn indien de opleiding wordt gevolgd met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning, waarbij de belastingplichtige aannemelijk moet maken dat hij redelijkerwijs kan verwachten dit doel te bereiken.
Belanghebbende heeft niet voldoende bewijs geleverd dat hij na afronding van zijn lerarenopleiding redelijkerwijs uitzicht had op een betaalde baan als leraar. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat er geen bijkomende omstandigheden zijn die een recht op vertrouwen in het standpunt van de inspecteur rechtvaardigen.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigt de aanslag zoals vastgesteld door de inspecteur.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting 2018 wordt ongegrond verklaard en de aanslag wordt bevestigd.