Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Procesverloop
2.Overwegingen
3.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning met bijbehorende voorzieningen en heeft deze in 2020 gekocht voor € 770.000. De heffingsambtenaar van de gemeente Oisterwijk stelde de WOZ-waarde voor 2020 vast op € 582.000, waartegen belanghebbende bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde.
De rechtbank overweegt dat de waardepeildatum 1 januari 2019 is en dat de waarde wordt bepaald via de vergelijkingsmethode. De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde onderbouwd met het eigen verkoopcijfer van de woning. Volgens vaste jurisprudentie wordt bij een recente aankoop rond de waardepeildatum uitgegaan van de koopsom als waarde in het economische verkeer, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat deze koopsom niet representatief is.
Belanghebbende stelde dat de WOZ-waarde te hoog is en verwees naar de stijging ten opzichte van voorgaande jaren en het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank oordeelt dat de stijging niet onrechtvaardig is omdat WOZ-waarden jaarlijks onafhankelijk worden vastgesteld en dat het gelijkheidsbeginsel niet slaagt omdat de situatie van belanghebbende anders is dan die van omliggende woningen.
De rechtbank concludeert dat de heffingsambtenaar de waarde voldoende aannemelijk heeft gemaakt en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard.