ECLI:NL:RBZWB:2021:5012
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen sluiting woning wegens handel in harddrugs
Verzoekster maakte bezwaar tegen het besluit van de burgemeester om haar woning voor drie maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet vanwege handel in harddrugs. De voorzieningenrechter hield een zitting waarbij verzoekster haar standpunten toelichtte, waaronder het betwisten van de drugshandel en het beroep op artikel 8 EVRM Pro.
De rechter overwoog dat er voldoende aanwijzingen waren dat vanuit de woning amfetamine werd verhandeld, onder meer door aangetroffen hoeveelheden, verklaringen van afnemers en chatberichten op de telefoon van verzoekster. Dit leidde tot de conclusie dat de burgemeester bevoegd en in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.
De belangenafweging toonde dat de sluiting noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat en de openbare orde. Hoewel verzoekster een alleenstaande moeder is met een minderjarig kind, waren er geen bijzondere omstandigheden die de sluiting onevenredig maakten. De rechter wees op de mogelijkheid tot opvang voor moeder en kind.
Daarom werd het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en het vonnis is onherroepelijk.
Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wegens handel in harddrugs wordt afgewezen.