Eiser werkte als fulltime magazijnmedewerker en viel uit vanwege mentale en fysieke klachten. Het UWV kende hem een Ziektewet-uitkering toe, maar beëindigde deze per 25 maart 2020 na een eerstejaars beoordeling. Eiser maakte bezwaar en het UWV wijzigde de ingangsdatum van beëindiging naar 6 weken na het bezwaarbesluit van 15 september 2020.
De rechtbank beoordeelde of het UWV terecht oordeelde dat eiser ten minste 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen met passend werk, waardoor het recht op Ziektewet-uitkering vervalt. Medische rapportages van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen toonden beperkingen aan, maar concludeerden dat eiser geschikt is voor functies als stikster meubelbekleding, productiemedewerker en monteur printplaten.
Eiser voerde aan dat zijn beperkingen groter zijn dan vastgesteld, maar de rechtbank vond de medische en arbeidskundige onderzoeken zorgvuldig en voldoende onderbouwd. De functies zijn passend en de verdiencapaciteit is voldoende om de uitkering te beëindigen. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.