Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende betwistte de aanslagen inkomstenbelasting en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over 2019, omdat bij de berekening van de arbeidskorting en het bijdrage-inkomen voor de Zvw geen rekening werd gehouden met betaalde lijfrentepremies, terwijl pensioenpremies wel werden meegenomen. De rechtbank interpreteert dit als een beroep op het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM Pro in verbinding met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol.
De rechtbank toetst of sprake is van gelijke gevallen en of ongelijke behandeling objectief en redelijk gerechtvaardigd is. Uit jurisprudentie volgt dat werknemers die pensioen opbouwen via de werkgever (tweede pijler) en zelfstandigen die lijfrentepremies betalen (derde pijler) niet als gelijke gevallen worden beschouwd bij de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw. De rechtbank stelt echter dat voor de bekostiging van de zorg het onderscheid in opbouwwijze niet relevant is, waardoor sprake is van gelijke gevallen. Desondanks acht de rechtbank de ongelijke behandeling gerechtvaardigd vanwege het doel van de wet en uitvoeringstechnische overwegingen.
Met betrekking tot de arbeidskorting is het doel het bevorderen van arbeidsparticipatie. De rechtbank erkent dat beide groepen werknemers betaalde arbeid verrichten, maar vindt de ongelijke behandeling gerechtvaardigd vanwege wezenlijke verschillen tussen pensioenregelingen en lijfrenteverzekeringen. De rechtbank concludeert dat de keuze van de wetgever om deze ongelijkheid te handhaven niet van redelijke grond is ontbloot en dient te worden gerespecteerd.
De beroepen worden ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt de aanslagen zonder rekening te houden met betaalde lijfrentepremies.