De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 28 september en 14 oktober 2021 een verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen, die sinds 2019 onder toezicht staan en uit huis geplaatst zijn. De Gecertificeerde Instelling (GI) heeft een perspectiefbesluit genomen dat de kinderen niet meer terugkeren naar huis, maar dit besluit kan niet aan de rechter worden voorgelegd, waardoor rechtsbescherming ontbreekt en de hulpverlening stagneert.
De ouders, die het ouderlijk gezag uitoefenen, betogen dat zij onvoldoende kansen hebben gekregen en pleiten voor een gezinsopname, terwijl de GI en pleegouders benadrukken dat de kinderen getraumatiseerd zijn en bovengemiddelde zorg nodig hebben. De Raad voor de Kinderbescherming constateert stagnatie en onduidelijkheid over het toekomstperspectief, wat de samenwerking bemoeilijkt.
De rechtbank oordeelt dat de machtiging tot uithuisplaatsing moet worden verlengd tot 10 december 2021 en benadrukt het belang van duidelijkheid over het toekomstperspectief. Een gezinsopname acht de rechtbank niet in het belang van de kinderen vanwege hun kwetsbaarheid en de risico’s van een nieuwe ingrijpende verandering. De rol van de ouders dient zo optimaal mogelijk te worden vormgegeven binnen de huidige situatie. De rechtbank wijst op het ontbreken van wettelijke toetsing van het perspectiefbesluit en pleit voor wettelijke kaders om deze lacune te dichten.