ECLI:NL:RBZWB:2021:5363

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 oktober 2021
Publicatiedatum
25 oktober 2021
Zaaknummer
AWB- 21_2723
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:4 AwbArt. 7:1 AwbArt. 4:114 AwbArt. 4:119 AwbArt. 4:85 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd in beroep tegen dwangbevel bestuursrechtelijke premies

De algemeen directeur van het Centraal Justitieel Incassobureau heeft namens het CAK een dwangbevel uitgevaardigd aan eiser voor de betaling van bestuursrechtelijke premies. Eiser maakte bezwaar tegen het dwangbevel, maar dit bezwaar werd door de executiegemachtigde ongegrond verklaard. Vervolgens stelde eiser beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank stelde vast dat op grond van artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen beroep mogelijk is tegen een besluit dat een dwangbevel inhoudt. Dit geldt ook voor de invorderingskosten die onlosmakelijk deel uitmaken van het dwangbevel volgens artikel 4:119 van Pro de Awb. Hierdoor is de rechtbank niet bevoegd om over het beroep te oordelen.

De rechtbank wees erop dat eiser in de bijlage bij het dwangbevel is geïnformeerd over de mogelijkheid om een executiegeschil aanhangig te maken bij de bevoegde burgerlijke rechter op grond van artikel 438 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het indienen van bezwaar tegen het dwangbevel was daarom niet de juiste weg. De rechtbank verklaarde zich dan ook onbevoegd en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om te oordelen over het beroep tegen het dwangbevel en wijst het beroep af.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/2723 ONBEK

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 oktober 2021 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser

en

Rijken Gerechtsdeurwaarders.

Procesverloop

De algemeen directeur van het Centraal Justitieel Incassobureau heeft namens het CAK aan eiser een dwangbevel uitgevaardigd, met dagtekening 28 april 2021, inzake de betaling van bestuursrechtelijke premies.
Rijken Gerechtsdeurwaarders treedt op als executiegemachtigde bij de invordering van het openstaande bedrag inclusief de kosten van betekening van het dwangbevel en de invorderingskosten.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het dwangbevel.
Rijken Gerechtsdeurwaarders heeft bij brief van 26 mei 2021 het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.

Overwegingen

1. Eiser voert aan dat het besluit van 26 mei 2021 onbevoegd is genomen. Daarnaast is het besluit onvoldoende gemotiveerd en onzorgvuldig genomen, omdat op het bezwaar tegen de invorderingskosten niet is beslist. Ook stelt eiser ten onrechte niet te zijn gehoord.
2. Artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb bepaalt dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit inhoudende een dwangbevel. Gelet op artikel 7:1 van Pro de Awb is in een dergelijk geval evenmin bezwaar mogelijk.
Ingevolge artikel 4:114 van Pro de Awb wordt onder dwangbevel verstaan een schriftelijk bevel van een bestuursorgaan dat ertoe strekt de betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 4:85 af Pro te dwingen.
Ingevolge artikel 4:119, eerste lid, van de Awb kunnen bij het dwangbevel tevens de aanmaningsvergoeding, de wettelijke rente en de kosten van het dwangbevel worden ingevorderd.
3. De rechtbank stelt vast dat de wetgever het dwangbevel, bij artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb, van beroep heeft uitgezonderd. De invorderingskosten waartegen eiser opkomt zijn kosten als bedoeld in artikel 4:119, eerste lid, van de Awb en kunnen daarom bij dwangbevel worden ingevorderd en maken daarvan onlosmakelijk deel uit. De uitzondering van artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder b, strekt zich naar het oordeel van de rechtbank daarom ook uit over deze kosten voor zover deze bij dwangbevel worden ingevorderd. Dit betekent dat (ook) tegen dit deel van het dwangbevel geen beroep mogelijk is.
Nu tegen een dwangbevel noch tegen de daarin vervatte invorderingskosten beroep kan worden ingesteld, kan daartegen ook geen bezwaar worden gemaakt. Dat Rijken Gerechtsdeurwaarders het bezwaar tegen dit dwangbevel ongegrond heeft verklaard, doet hier niet aan af en maakt niet dat er alsnog beroep open staat tegen de ongegrondverklaring.
Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat in de bijlage bij het dwangbevel vermeld is dat eiser een executiegeschil aanhangig kan maken op grond van artikel 438 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Op grond daarvan had eiser moeten begrijpen dat het indienen van een bezwaarschrift tegen het dwangbevel niet de juiste weg was om daartegen op te komen. Een dwangbevel kan alleen bij de bevoegde burgerlijke rechter worden aangevochten.
4. De rechtbank verklaart zich kennelijk onbevoegd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 25 oktober 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.