De zaak betreft een geschil over de indicatie en ingangsdatum van zorg voor wijlen mevrouw, die op 7 mei 2020 door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) werd geïndiceerd voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Eiseres betwistte dat de indicatie per die datum moest ingaan, omdat er nog een akkoordverklaring van de zorgverzekeraar tot 31 mei 2020 bestond en mevrouw terminaal zou zijn geweest, waardoor de zorg onder de Zorgverzekeringswet zou vallen.
De rechtbank stelde vast dat er geen medische informatie was die de terminale status van mevrouw op het moment van indicatie bevestigde. De rechtbank oordeelde dat de Wlz-indicatie terecht per 7 mei 2020 is toegekend, conform de hoofdregel dat de indicatie ingaat op de datum van het indicatiebesluit. De zorgverzekeraar had de zorg tot die datum gefinancierd, waarna de Wlz-zorg de vergoeding overneemt.
Verder wees de rechtbank erop dat de zorg op basis van het toegekende zorgprofiel ook thuis geleverd kan worden via een persoonsgebonden budget, waarvoor eiseres zich tot het Zorgkantoor moet wenden. Het beroep tegen het bestreden besluit werd ongegrond verklaard, en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.