ECLI:NL:RBZWB:2021:5436
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen voorlopige en definitieve aanslagen inkomstenbelasting 2017 en 2018
Belanghebbende diende aangiften inkomstenbelasting in voor de jaren 2017 en 2018 met een aangegeven verzamelinkomen van respectievelijk €15.064 en €15.229. De inspecteur stelde voorlopige aanslagen vast die hierop waren gebaseerd, maar na bezwaarschriften van belanghebbende, die stelde geen inkomen te hebben, werden deze aanslagen herzien tot nihilinkomen met corresponderende teruggaafbedragen.
Belanghebbende maakte meerdere keren bezwaar tegen de voorlopige en definitieve aanslagen, maar deze bezwaren werden door de inspecteur behandeld als verzoeken om herziening. De rechtbank oordeelt dat tegen dergelijke herzieningen geen bezwaar of beroep mogelijk is. Daarnaast werden de ingediende beroepen te laat ingediend, waardoor deze niet-ontvankelijk zijn verklaard.
De rechtbank overweegt dat belanghebbende in het buitenland woont en geen arbeidsinkomen heeft, zodat een beroepsprocedure geen verbetering van haar positie kan opleveren. Ondanks de onduidelijkheid in de communicatie tussen belanghebbende en de inspecteur, concludeert de rechtbank dat belanghebbende per saldo geen belasting verschuldigd is en er geen recht op teruggaaf bestaat.
Daarom verklaart de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk en wijst zij deze af.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding en het ontbreken van bezwaar- en beroepsmogelijkheden tegen herzieningen.