4.3Het oordeel van de rechtbank
Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast.
Op 30 november 2020 is door aangeefster aangifte gedaan van verkrachting, gepleegd door verdachte in de nacht van 28 op 29 november 2020. Aangeefster woonde in die tijd bij verdachte in huis. De avond van 28 november 2020 zijn er twee kennissen van verdachte komen eten. Aangeefster is hierbij aangesloten. Met zijn vieren hebben zij gegeten, gedronken en er is ook geblowd. Op enig moment is aangeefster naar haar kamer toe gegaan en is niet meer teruggekomen bij het gezelschap. Getuige [getuige 2] en haar vriend zijn tussen 00.00 uur en 01.00 uur naar huis gegaan.
Over wat er is gebeurd nadat [getuige 2] en haar vriend de woning hebben verlaten, lopen de verklaringen van aangeefster en verdachte uiteen. Deze verklaringen staan lijnrecht tegenover elkaar.
Aangeefster heeft, kortgezegd, verklaard dat zij naar haar kamer is gegaan en met haar kleding aan op haar bed in slaap is gevallen. Op enig moment dacht zij te dromen over seks, werd wakker en merkte dat zij werd gepenetreerd. Zij zag, toen zij de persoon die haar penetreerde van haar af duwde, dat dit verdachte betrof. Ook zag zij dat hij naakt was en een erectie had. Pas toen het licht aan ging, zag aangeefster dat haar spijkerbroek en onderbroek onder haar billen waren geschoven.
Verdachte ontkent de beschuldiging. Hij verklaart dat hij - toen [getuige 2] en haar vriend naar huis gingen - is gaan opruimen en hierna naar zijn bed is gegaan. Verdachte is vervolgens wakker geworden door geschreeuw. Hij heeft aangeefster, nadat zij zich onttrok aan het gezelschap de avond ervoor, niet meer gezien.
Ook op andere punten lopen de verklaringen van verdachte en aangeefster sterk uiteen. Verdachte verklaart dat hij een relatie met aangeefster had, maar dat hij aangeefster had gezegd dat zij voor 7 december 2020 zijn huis uit moest omdat zij weer met haar ex-vriend zou zijn. Verdachte heeft verklaard de middag van 28 november 2020, voordat het bezoek kwam, nog seks te hebben gehad met aangeefster. Dit is op vrijwillige basis gebeurd. Aangeefster verklaart daarentegen dat er van een relatie geen sprake was en dat zij gewoon een kamer huurde. Er heeft volgens haar nooit seks op vrijwillige basis plaatsgevonden.
Steunbewijs
Aan verdachte is een zedendelict ten laste gelegd. Zedenzaken kenmerken zich in het algemeen door het feit dat zij zich voordoen in een situatie waarbij slechts twee personen aanwezig zijn: een verondersteld slachtoffer en een veronderstelde dader. Indien de veronderstelde dader ontkent, moet de rechter allereerst beoordelen of aan het bewijsminimum is voldaan. De bewijsminimumregel van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) houdt in dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. De Hoge Raad heeft het belang van deze bepaling bij herhaling onderstreept door te overwegen, dat deze strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Daar staat echter tegenover dat in zedenzaken een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met de verklaring van de aangever voldoende wettig bewijs kan opleveren.
De vraag die de rechtbank dan ook eerst moet beantwoorden is of de verklaringen van aangeefster voldoende steun vinden in de overige bewijsmiddelen.
De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende steun bevat voor de tenlastegelegde handelingen. Ook de door de officier van justitie aangevoerde omstandigheden bieden onvoldoende steun voor het tenlastegelegde. Zij houden onvoldoende specifiek verband met de tenlastegelegde handelingen als zodanig. Zo kan niet worden vastgesteld dat het waargenomen trillen door aangeefster een direct gevolg is geweest van hetgeen volgens aangeefster in de woning zou zijn gebeurd. Er zijn meerdere oorzaken voor het trillen denkbaar. Het was november, midden in de nacht en dus koud. Ook had er zich vlak voor de waarneming van de verbalisant een zeer agressieve situatie afgespeeld bij de woning van verdachte.
Voorts is er wel een spermaspoor in aangeefster aangetroffen, maar is niet vastgesteld dat het spermaspoor van verdachte is. Zelfs indien dit wel het geval was geweest, sluit dit het door verdachte geschetste scenario nog niet uit, maar zou het enkel bevestigen dat er seksueel contact tussen verdachte en aangeefster heeft plaatsgevonden.
Ook de verklaring van getuige [getuige 2] levert niet de vereiste steun op. Getuige [getuige 2] heeft de verklaring van verdachte, inhoudende dat hij en het slachtoffer een relatie hadden en dat dit voor hun gasten die avond ook kenbaar moet zijn geweest, weersproken. De onderdelen waarop de verklaring van verdachte wordt weersproken zien echter niet op de tenlastegelegde handelingen. De getuige heeft de woning verlaten voordat het feit zou zijn gepleegd.
De verklaring van getuige [getuige 1] over wat aangeefster hem heeft verteld, kan evenmin het vereiste steunbewijs opleveren, omdat de bron van zijn verklaring dezelfde is als de verklaring die steun behoeft, namelijk die van aangeefster zelf.
Voornoemde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang kunnen naar het oordeel van de rechtbank ook niet in voldoende mate steun bieden aan de verklaringen van aangeefster.
De rechtbank kan op basis van het dossier dan ook onvoldoende vaststellen of de tenlastegelegde handelingen plaats hebben gevonden. Daarom spreekt de rechtbank verdachte vanwege een gebrek aan bewijs vrij.