Eiser was werkzaam als brandwacht maar viel uit vanwege hand- en cognitieve problemen. Het UWV kende hem een WIA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 43,09%, later herzien naar 46,21% na bezwaar. De kern van het geschil betrof de juistheid van deze vaststelling.
De medische beoordeling door verzekeringsartsen concludeerde dat eiser beperkingen heeft, maar niet volledig arbeidsongeschikt is. De Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 5 november 2019 legt de beperkingen vast, waarbij klachten als pijn en cognitieve problemen werden meegewogen. Eiser betwistte deze beoordeling en vroeg om een onafhankelijke deskundige, maar de rechtbank vond het medisch onderzoek zorgvuldig en voldoende onderbouwd.
De arbeidsdeskundige stelde dat eiser geschikt is voor bepaalde functies, waarop de mate van arbeidsongeschiktheid is gebaseerd. Eiser voerde aan dat deze functies ongeschikt zijn vanwege onderschatte beperkingen, maar de rechtbank verwierp dit standpunt. De rechtbank concludeerde dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid op 46,21% heeft vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond.