In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een bestuurlijke boete opgelegd aan eiser wegens overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm in 2015. Eiser stelde bezwaar tegen het boetebesluit en ging in beroep bij de rechtbank.
De rechtbank onderzocht de feiten, waaronder het strafrechtelijk onderzoek naar mestfraude, de bedrijfscontroles en de berekening van de fosfaatoverschrijding. Eiser voerde onder meer aan dat de marges niet openbaar waren bij het opstellen van het bemestingsplan en dat de boete willekeurig was opgelegd. Ook betwistte hij het gebruik van bepaalde percelen en de aanvoer van champost.
De rechtbank oordeelde dat de minister de marges tijdig openbaar had gemaakt en dat er geen sprake was van willekeur of ongelijke behandeling. De bewering van gezamenlijke bedrijfsvoering met zijn tante werd verworpen wegens gebrek aan juridische titel. De bewijsvoering omtrent de champost was onvoldoende, waardoor een correctie van 794 kilogram fosfaatoverschrijding werd toegepast.
Na toepassing van de beleidsregels, waaronder een matiging van 10% wegens termijnoverschrijding en 50% wegens het ontbreken van economisch voordeel, stelde de rechtbank de boete vast op €7.029,-. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, bepaalde zelf de boete en veroordeelde de minister tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.