Eiser, voorzitter van een schietsportvereniging, kreeg zijn wapenverlof ingetrokken door de korpschef vanwege meerdere tekortkomingen binnen de vereniging, waaronder vermenging van commerciële belangen met een wapenhandel, onbevoegd bezit van munitie, niet-bijhouden van verplichte registers, onbevoegde uitgifte van wapens en munitie, en onvolledige munitieoverdrachten.
Eiser stelde zich op het standpunt dat de intrekking onterecht was en voerde diverse verweren aan, waaronder het ontbreken van hoor en wederhoor, onjuiste proces-verbaal, en het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank verwierp deze grieven, oordeelde dat het proces-verbaal betrouwbaar was en dat eiser voldoende gelegenheid had gehad zijn zienswijze te geven.
De rechtbank concludeerde dat de schietvereniging de regels niet naleefde, met name door belangenverstrengeling, onjuiste administratie en onbevoegd gebruik van wapens en munitie. Dit leidde tot de conclusie dat eiser het bezit van wapens en munitie niet langer kon worden toevertrouwd, wat rechtvaardigt dat het wapenverlof werd ingetrokken.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak benadrukt het belang van veiligheid in de samenleving en de noodzaak van strikt naleven van wapenwetgeving door vergunninghouders.