Belanghebbende werd een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat zijn auto op 20 maart 2020 zonder betaling op een parkeerplaats stond. De heffingsambtenaar constateerde dit bij controles om 11:57 en 12:03 uur. Belanghebbende voerde aan dat hij slechts kort, ongeveer vier minuten, had stilgestaan om zijn dochter op te halen, en dat hij op dezelfde dag wel parkeerbelasting had betaald voor een andere periode.
De rechtbank overwoog dat onder 'onmiddellijk in- en uitstappen' alleen het daadwerkelijke in- en uitstappen valt, en dat het stilzetten van een voertuig gedurende enkele minuten niet hieronder valt. De door de heffingsambtenaar overgelegde scangegevens toonden aan dat de auto minimaal zes minuten stilstond, wat niet als onmiddellijk in- en uitstappen kan worden beschouwd.
Daarom was de naheffingsaanslag terecht opgelegd. De rechtbank wees het beroep af en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.