ECLI:NL:RBZWB:2021:5651

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 november 2021
Publicatiedatum
8 november 2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 9289
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27h AWRArt. 28 AWRGemeentewet Artikel 225Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2020 gemeente Breda
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herroeping naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens overmacht bij motorproblemen

Belanghebbende parkeerde op 6 juni 2020 zijn auto op een parkeerplaats in Breda waar parkeerbelasting geldt. Tijdens een controle werd geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan, waarna een naheffingsaanslag werd opgelegd.

Belanghebbende stelde dat hij de auto slechts kort had stilgezet om de motor te resetten vanwege motorproblemen, wat noodzakelijk was om gevaar op de rijbaan te voorkomen. De rechtbank oordeelde dat dit niet onder de wettelijke definitie van parkeren viel, omdat de handelingen niet langer duurden dan het onmiddellijk in- en uitstappen van personen.

De rechtbank achtte de verklaring van belanghebbende geloofwaardig, mede door ingediende stukken over motorproblemen, en concludeerde dat sprake was van een overmachtssituatie. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de naheffingsaanslag herroepen.

De rechtbank wees een proceskostenveroordeling af maar bepaalde dat het betaalde griffierecht aan belanghebbende wordt vergoed. De uitspraak werd gedaan door rechter I.M. Josten op 1 november 2021 en is openbaar gemaakt via Rechtspraak.nl.

Uitkomst: De naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt herroepen wegens overmacht bij motorproblemen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 20/9289
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 1 november 2021 van de enkelvoudige kamer in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende,

en
de heffingsambtenaar van de gemeente Breda (Belastingsamenwerking West-Brabant), de heffingsambtenaar.

Procesverloop

De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 september 2020 het bezwaar van belanghebbende tegen de opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] (hierna: de naheffingsaanslag) ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2021. Daar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, en namens de heffingsambtenaar [naam]

Overwegingen

1. Belanghebbende heeft op 6 juni 2020 een auto van het merk [merk] met het kenteken [kenteken] tot stilstand gebracht aan de Markendaalseweg te Breda. Deze plaats is door de gemeente aangewezen als een plaats waar alleen tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. [1]
2. Tijdens een controle op 6 juni 2020 omstreeks 12:08 is door middel van een scanauto geconstateerd dat voor de auto geen parkeerbelasting is voldaan. Aan belanghebbende is daarom met dagtekening 10 juni 2020 een naheffingsaanslag opgelegd. De nageheven belasting bedraagt € 2,30. Dit bedrag is verhoogd met € 66,80 aan kosten.
3. In geschil is of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of er sprake is van parkeren.
4. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van parkeren omdat hij de auto slechts heeft stilgezet op een parkeervak om de motor opnieuw te starten. Het opnieuw starten van de motor was nodig vanwege problemen met de motor van de auto. Deze handelingen hebben niet langer geduurd dan de tijd die gemoeid gaat met het in- en uitstappen van personen, aldus belanghebbende.
5. De rechtbank stelt voorop dat de handelingen van belanghebbende onder de wettelijke definitie van parkeren vallen. De handelingen die belanghebbende heeft verricht kunnen niet worden aangemerkt als het onmiddellijk in-en uitstappen van personen. In beginsel is belanghebbende voor deze handelingen dan parkeerbelasting verschuldigd.
6. De rechtbank acht de verklaring van belanghebbende, dat hij de auto op het parkeervak heeft stilgezet om de motor te resetten, geloofwaardig. Daarbij komt dat belanghebbende ter zitting stukken heeft ingediend waaruit de motorproblemen blijken. De rechtbank begrijpt waarom belanghebbende in de onderhavige situatie op deze manier heeft gehandeld. Indien belanghebbende de motor op de rijbaan opnieuw had gestart, had hij daarmee het verkeer namelijk ernstig in gevaar gebracht. De rechtbank overweegt dat belanghebbende met zijn verklaring een beroep doet op een overmachtssituatie. Naar het oordeel van de rechtbank dient dit beroep te worden gehonoreerd. De rechtbank verklaart het beroep van belanghebbende gegrond. De uitspraak op bezwaar zal worden vernietigd en de naheffingsaanslag zal worden herroepen.
7. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld of aannemelijk is geworden dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Wel dient de heffingsambtenaar aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht van € 48 te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- herroept de naheffingsaanslag;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden uitspraak;
- gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 48 aan hem vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. van Beijsterveldt, griffier, op 1 november 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

Bijlage wettelijk kader

Gemeentewet
Artikel 225
1. (..)
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder parkeren verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.
Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2020 van de gemeente Breda
Artikel 1
Voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden; (..)
Artikel 2
Onder de naam ‘parkeerbelastingen’ worden de volgende belastingen geheven:
a. een belasting ter zake van het parkeren van een motorvoertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze; (..)
Artikel 6
1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren, tenzij het bij aanvang van het parkeren in werking stellen van parkeerapparatuur geschiedt door het met een (mobiele) telefoon of ander toegelaten communicatiemiddel inloggen op de centrale computer.(..)

Voetnoten

1.Zie, Artikel 8 van Pro de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2020 van de gemeente Breda en artikel 1 van Pro het Aanwijzingsbesluit parkeerbelastingen 2020 van de gemeente Breda .